|
Jamaica,
informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag,
info, foto's
JAMAICA: Keep The Riddim!
(Tekst en foto's: Bert Taken)
deel 2/2
| Enkele uren verder ligt het kleinschalige
strand van Treasure Beach. Aan een kleine rotsige baai
staat Jake’s Place; een verzameling prijzige,
maar unieke Gaudi-achtige accommodaties, beheerd door
Sally en Perry Henzell. Zij maakten in 1973 de reggaexploitation-film
“The Harder They Come” met Jimmy Cliff.
Boven de kleine bar bij het water hangt een bord: “Why
Drink & Drive When You Can Smoke & Fly?”.
De oude man achter de kleine, verlaten bar kreunt en
zucht wanneer ik een rumpunch bestel. Het kost me nog
steeds moeite om mij aan te passen aan het vele malen
lagere lokale leeftempo. |
|
De volgende ochtend ontbijt ik bij het Translove Restaurant:
een sympathiek, kleinschalig restaurantje en een veranda met
een zestal tafeltjes. De kaart staat vol gezonde lekkernijen
zoals muesli, yoghurt, zelfgemaakte jam, stokbrood, chocolademelk
en versgeperste sinasappelsap. Behalve in Negril ben ik helaas
nergens zo’n plek meer tegen gekomen op Jamaica.
Verder noordwaarts ligt de Bamboo Avenue: een prachtige
5 km lange weg met aan weerszijden 10 m hoge bamboe dat als
een dak boven over de weg buigt. Even verderop steken de schoorstenen
van de Appleton Rum Estate hoog boven de uitgestrekte suikerrietvelden
uit. Ik passeer natbezwete zwarte arbeiders die met grote
machetes suikerriet kappen. De dagen van de koloniale plantagetijd
lijken nog nauwelijks verdwenen. Rondom het stadje Black River
spreidt zich een groot drassig gebied uit, gevoed door Jamaica’s
langste rivier: de Black River. De boottocht voert door het
groene, vochtige moeras. Krokodillen houden zich schuil langs
de oever.
 |
|
Via Savannah-la-Mar rij ik westwaarts naar Negril. Aan een
10 km lang zandstrand staan honderden hotels, guesthouses
en restaurants. ’s Avonds spelen er diverse bands op
open podia reggae-muzak. Officieel is ganja verboden op Jamaica.
De politie ziet gebruik door de lokale bevolking echter door
de vingers. Jonge Amerikaanse, Duitse en Italiaanse toeristen
blowen zich suf. Elke avond verricht de politie wel enkele
voorbeeld-arrestaties onder de toeristen op het strand. en
de infrastructuur, maar uitsluitend het prijspeil en de fast
food geïmporteerd heeft.
De volgende ochtend lijkt het voor het eerst een bewolkte
dag te worden, maar het blijken de ganja-dampen van de vorige
avond te zijn die nog niet waren opgetrokken. Na een flinke
zoektocht arriveer ik bij The Blue Hole Ital Gardens; een
botanische tuin rondom een onwaarschijnlijk blauwgroen meertje
dat gevoed wordt door een onderaardse bron. Ik blijf enkele
dagen in deze unieke oase in een klein hutje langs het snelstromende
riviertje. Talloze groenzwarte kolibries met lange V-staarten
vliegen steeds rond mijn hut. Ik bestel in het aangrenzende
Lover’s Café (een krakende houten hut) een ackee
& saltfish bij de Indiase vrouw. Maar zelfs in deze uithoek
ben ik niet veilig: een overstonede, schele, jonge rasta komt
naar mij toe: “Hi, I’m Smokey, I‘m a
bushdoctor from the hills. I grow herbs, ya know. Wanna smoke?”.
en de infrastructuur, maar uitsluitend het prijspeil en de
fast food geïmporteerd heeft.
 |
|
Het is 31 december. Ik besluit om oudejaarsnacht door te
brengen in Montego Bay. De stad is verrassend klein. De meeste
toeristen zitten in dure, afgeschermde hotelresorts in de
wijde omgeving. De eindejaarsactiviteiten in het stadje zijn
beperkt tot keiharde disco’s in Margueritaville en Doctor’s
Cave. Het enige “vuurwerk” is een uitslaande brand
in het dure Coral Cliff Hotel.
De volgende dag ga ik over de kustweg verder oostwaarts.
Opnieuw zit de grote doorgaande weg vol gaten. Regelmatig
moet ik fors remmen als er weer decimeters diepe putten opduiken.
Ook de hoofdstraten in de grote steden verkeren in een abominabele
staat. De orkaan Gilbert heeft in 1988 de nodige schade aangericht,
maar nog steeds is niet alles hersteld. Er wordt in Jamaica
veel geklaagd over openbaar vervoer, de slechte wegen, de
werkloosheid, het prijspeil en woningen. Maar iedereen wacht
op initiatieven van de overheid. Bijna niemand onderneemt
zelf wat.
De bananaboat song
Ik neem een alternatieve route via het binnenland. Het gehucht
Nine Lives is het geboortedorp van Bob Marley en is in het
bezit van een onaantrekkelijk, sober museum. Het landschap
is echter prachtig: mooie, glooiende, groene heuvels zover
het uitzicht strekt.
In de haven van het oninspirerende Ocho Rios ligt een groot
cruiseschip. Het is bijna donker als ik in Port Antonio arriveer.
Ik neem mij intrek in De Montesin Lodge: een oud, krakend,
charmant Victoriaans hotel. In de vorige eeuw was de havenstad
het middelpunt van de zeer profijtelijke bananenexport. De
onderneming van de exportpioneer Baker groeide later uit tot
de United Fruit Company, die later alle bananenrepublieken
van Midden-Amerika zou controleren. Maar de “Banana
Boat Song” weerklinkt al lang niet meer in de afgetakelde
haven. Ik zie ook geen arbeiders “working all night
on a drink of rum”. Vanaf het balkon van mijn hotel
zie ik het Navy Island waar Errol Flynn zijn laatste jaren
meestal dronken heeft doorgebracht in de armen van zijn tienerliefje.
en de infrastructuur, maar uitsluitend het prijspeil en de
fast food geïmporteerd heeft.
 |
|
De stad is zeer relaxt, authentiek en kleurrijk. In 1997
is een poging gedaan om de stad een economische impuls te
geven met de bouw van de Village of St.George: een statig
verzamelgebouw vol winkeltjes en restaurants en een façade
met Oudhollandse trapgeveltjes. Maar enkele jaren later staan
de meeste ruimten al weer leeg en heeft de rot en roest al
overal toegeslagen. De combinatie van verval, oude glorie,
tijdloosheid, rastafari’s en weinig toeristen maken
het havenstadje tot een typisch Jamaicaanse ervaring. Dagen
later rij ik nog een eind oostwaarts maar overal staan luxe
hotels en ressorts die hun eigen terrein en stukje strand
uitvoerig hebben afgebakend met hoge hekken en struiken. Dit
is geen uitnodigend gebied voor de ongeorganiseerde buitenstaander.
Vanuit Port Antonio steek ik het eiland zuidwaarts over naar
Kingston. De weg zigzagt langzaam omhoog over de Blue Mountains.
De kerstster, in Nederland alleen bekend als kamerplant, bloeit
overal in het wild. Ik zie veel koffiestruiken. Het wordt
steeds mistiger. De door klimop overwoekerde bomen nemen de
vorm van spookachtige figuren aan. Ik stop bij het Gap Café
voor een warme kop geurige Blue Mountain koffie die, terecht,
tot de beste ter wereld wordt gerekend. Voorbij de top trekt
de mist snel op en is Kingston in de verre diepte zichtbaar.
en de infrastructuur, maar uitsluitend het prijspeil en de
fast food geïmporteerd heeft.
 |
|
De volgende dag loop ik langs de Constant Spring Road; een
kopie van een Amerikaanse shopping mall. Halverwege ontdek
ik de platenwinkel van Clement Dodd. Er zijn vrijwel geen
cd’s. Alle singles zijn verpakt in anonieme witte hoesjes.
De bezoekers lijken zich suf te zoeken in de ongeorganiseerde
bakken met platen. Ook in de platenperserij van de Tuff Gong
Studio’s lijken de tijden niet veranderd: de meeste
singles worden nog steeds in een oplage van 250 stuks geperst
en onder de dj’s, toasters en dubbers verspreid. De
aanwezige stonede dj Selvyn geeft mij een rondleiding door
de perserij en de studio.
In uptown Kingston breng ik de laatste middag door bij het
Devon House: een prachtig, groot wit koloniaal huis met een
heerlijke bakkerij en een smakelijke ijswinkel aan de achterzijde.
Ik ben nog steeds lichtelijk in een culture- en climateshock
als ik ’s avonds op het Norman Manley vliegveld van
Kingston sta. Het is de volgende dag grijs en grauw in Nederland.
Het heeft gesneeuwd. Onder zonder de luide soundsystems beweeg
ik nog dagenlang met een groovy, funky tred door de stad.
“Jah mon, keep the riddim!”
Algemene landeninformatie JAMAICA
Jamaica roept onmiddellijk associaties op met zon, strand,
rum, suikerriet, rastafari’s, reggae, ska, the bananaboat
song en ganja (marihuana). Het is eigenlijk verbazingwekkend
dat een relatief klein eiland, 3 keer zo klein als Nederland,
zo prominent op de wereldkaart staat.
Maar het is een duur land. Het prijspeil ligt even hoog als
in de Verenigde Staten, maar de kwaliteit is vele malen lager.
Op veel plaatsen moet ik flink zoeken naar een budgethotelletje
van U$30 en daarvoor krijg ik dan bijvoorbeeld een kleine,
muffe kamer met soms een slechts onderhouden douche- en toilethok.
Voor een taxirit van het vliegveld naar uptown Kingston was
ik U$30 kwijt.
Het een en ander wordt natuurlijk in de hand gewerkt door
de wijze waarop de meeste toeristen hun vakantie in Jamaica
doorbrengen. Velen komen volledig georganiseerd, hebben een
(all-inclusive) hotel geboekt en blijven een weeklang binnen
de omheining van het hotel op het strand liggen. Sommigen
maken nog wel met een minibus van het hotel een georganiseerde
excursie naar bezienswaardigheden in de omgeving. Buiten Negril,
Ocho Rios en Montego Bay kom je dan ook niet veel westerlingen
tegen. In veel plaatsen ben je als blanke zelfs bijna een
bezienswaardigheid.
Maar ondanks de wat mindere zijden heeft Jamaica ook veel
positiefs te bieden. Buiten de echte grote toeristengebieden
vind je typisch Jamaicaanse vissersplaatsen (Port Antonio,
Port Royal), kleinschalige strandjes (Alligator Pond, Treasure
Beach), moerasdelta’s met krokodillen (Black River),
heuvelige regenwouden en botanische tuinen (Blue Hole, Blue
Mountains) en zelfs downtown Kingston is een levendige, kleurrijke
ervaring. Bovendien zorgt de alom aanwezige reggae voor een
atmosfeer die je in geen enkel ander land aantreft.
|