Indonesië: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
Het Tandjung Bastian-project op west-Timor
Indonesië reisverhaal: verslag van een reis door Indonesië
(tekst en foto: Frank van den Berge)

Zoals afgesproken staan Pa'e Nope en ik rond zeven uur 's
morgens voor ons hotel te wachten op de Toyota Landcruiser
van de overheid, die ons vandaag naar plaatsen zal brengen,
die nauwelijks tot niet op de kaart te vinden zijn. Het is
al erg warm. De zon is al een uur of twee eerder dan wij opgestaan
en doet zijn best om er vandaag een hete dag van te maken.
Gisteren zijn we door de plaatselijke autoriteiten hier in
Kefamenanu, een kleine stad in het centrale gedeelte van West-Timor
beloofd de bergen in te gaan op zoek naar dorpen, die voor
het toekomstig toerisme van belang kunnen zijn.
Alhoewel Timor goed met vliegtuig en boot te bereiken is,
stelt het internationale toerisme hier helemaal niets voor.
Daarom is mij door mijn begeleider Pa'e Nope gevraagd om als
Nederlander contact te zoeken met de Dinas Pariwisata, de
plaatselijke V.V.V. Ze zitten daar al jaren met de handen
in het haar. Vanuit Jakarta krijgen ze jaarlijks een groot
bedrag om aan promotie van het toerisme uit te geven, ze hebben
een enorm potentieel aan natuur en cultuur te bieden maar
niemand weet hoe ze zoiets moeten aanpakken. Toeristen komen
er niet vanwege het feit, dat de naam Timor in Europa maar
ook in het naburige Australië een slechte naam verworven
heeft vanwege de activiteiten van het Fretilin, de vrijheidsbeweging
op Oost-Timor, de oude Portugese kolonie, die in 1976 door
Indonesië als 27 ste en laatste provincie is ingelijfd.
En daaronder leidt niet alleen het toerisme naar Oost-Timor,
maar ook dat naar het westelijke gedeelte. Ten onrechte trouwens.
West-Timor is uitstekend te bereizen zonder welke vorm van
politieke spanning dan ook. Dat geldt trouwens voor 90% ook
voor haar oostelijke helft. De plaatselijke autoriteiten hier
in Kefamenanu hebben wel door, dat hun gebied geen tweede
Bali mag worden. De negatieve kanten van het toerisme steken
daar nu duidelijk de kop op na de toeristen-"boom"
van de jaren '80 en '90. Maar wat het dan wel moet worden,
daar hebben ze geen idee van. Daarom zijn Pa'e en ik gevraagd
om daar eens goed over na te denken. Pa'e Nope is de laatste
zoon van de Raja van Niki-Niki, een kleine plaats niet ver
van hier. Hij heeft vanwege zijn koninklijke afstamming een
zekere eerbied verworven bij de plaatselijke bevolking, die
zijn reeds overleden vader op handen droegen. Pa'e spreekt
een paar van de lokale talen vloeiend, beheerst het Bahasa
Indonesia als overkoepelende taal en spreekt redelijk goed
Engels. Van Pa'e heeft de Dinas gehoord dat er een Nederlander
al maandenlang met zijn fiets over de Kleine Sunda-eilanden
rondreist en die zich niet als toerist, maar als reiziger/fotograaf
in Indonesië ophoudt. Die zouden ze wel eens willen ontmoeten.
Gisteren was het dan zover. In mijn beste kleren gestoken
verscheen ik met Pa'e Nope, hij in keurig pak met stropdas,
bij de afdeling Toerisme van het Ministerie van Binnenlandse
Aangelegenheden. Al snel bleek onder het genot van een glas
koud water dat niemand van deze afdeling de Engelse taal beheerste.
Dat maakte het er niet eenvoudiger op. Alle theorieën
over de aanpak van het toerisme moesten door Pa'e van de plaatselijke
taal met hier en daar een woord Bahasa in het Engels vertaald
worden. Daar was af en toe geen touw aan vast te knopen. Het
Engels van Pa'e bestreek niet voldoende datgene wat me verteld
wilde worden. Ook de uitnodiging om op hoog bezoek te gaan
bij de bupati, het plaatselijk hoofd van de provincie Kefamenanu,
droeg niet bij tot het duidelijk maken van hun opzet. Alhoewel
de heer Amaunut, de bupati, de titel van Drs. droeg, verkeerde
hij in de veronderstelling, dat een westerling zijn Engels
wel zou begrijpen. Zijn Bahasa Indonesia was begrijpelijker
voor me dan zijn beheersing van de meest gesproken wereldtaal.
Na deze Babylonische spraakverwarring werd het hoog tijd
de reiziger maar eens wat te laten zien. Want plannen hadden
ze en de visie van een Nederlander op deze plannen zou hen
zekerheid geven over het welslagen ervan. "Morgen gaan
we er met de Landcruiser op uit en zullen u eens laten zien
wat we voor de toekomstige toerist in petto hebben. Neem eten
en drinken mee en trek uw beste kleren aan. We zullen eventueel
andere hoogwaardigheidsbekleders tegen kunnen komen en de
plaatselijke stamhoofden hebben nog steeds het recht ons de
toegang tot hun dorpen te weigeren. Laat ons het woord voeren,
dan is er niets aan de hand." Ik word ter plekke nieuwsgierig.
Wat staat er allemaal te gebeuren?
Een half uur later dan gepland rijdt een Toyota Landcruiser
het terrein op van het hotel waar Pa'e en ik die nacht hebben
doorgebracht. In de auto zitten drie ambtenaren, die ik van
gisteren herken. Een chauffeur is ingehuurd om ons naar de
diverse plekken te rijden, die de bupati, die vandaag zijn
verplichtingen heeft op het Kabupaten-kantoor en ons dus tot
zijn spijt niet kan begeleiden, hem heeft opgegeven.
We rijden eerst naar "Gua Bitauni", een grot waarin
zich een Mariabeeld bevindt en dienst doet als bedevaartplaats,
het Lourdes van West-Timor. We beklimmen de steile trappen,
die esthetisch niet geheel passen in de plaatselijk natuur.
Ze vloeken met de prachtige omgeving waarin zich deze grot
bevindt. Ook de treden zijn wat te hoog voor een normaal mens.
Het bereiken van Maria moet dan ook een opgave zijn en veel
moeite kosten. Een soort boetedoening. Een vorm van zelfkastijding!
Totaal bezweet komen we aan bij de grot. Opvliegende vleermuizen
maken het binnenkomen via een smalle en lage doorgang wat
problematisch en hun uitwerpselen doen lijken alsof het imposante
beeld van Maria in de grot stinkt. Toch zijn hier op 15 augustus
meer dan vijfduizend mensen bij elkaar om Maria met kaarsen
te bewieroken. Beneden aan de voet van de trappen staat een
kleine kiosk waar je dan kaarsen kan kopen maar het is vandaag
16 mei. De kiosk is dan ook gesloten. Wel bevindt zich naast
het Mariabeeld een offerkist. Ik gooi er uit piëteit
wat munten in. Het zijn de enige munten, die de kist daarna
bevat. Maria wordt beschenen door wat zonnestralen, die via
een gat in de grot binnenkomen. Stalagmieten en stalactieten
maken de sfeer wat macaber. Je verwacht hier meer rotstekeningen
dan een Mariabeeld. Er staat iemand te bidden terwijl ik het
beeld sta te bewonderen. De bidder staat echter niet dezelfde
richting op te kijken als ik doe. Hij heeft zijn eigen Maria
geschapen, een enorme stalagmiet, die me niet echt christelijk
voorkomt. Het christendom hier op West-Timor heeft zijn eigen
manier van beleven. Het "paganisme", het "heidense"
volgens de gelovigen, viert hier nog steeds hoogtij.
Ikzelf voel me noch aangetrokken tot het bidden voor het
beeld, noch voor de stalagmiet en verlaat na een rondgang
tussen het gefladder van de kalongs door, de grot. De anderen
volgen me op de voet want wat ik als buitenlander doe, is
vandaag heilig, zo wordt me verteld bij het weer opsnuiven
van de frisse buitenlucht. We dalen de lelijke stenen trappen
weer af en lopen, beneden aangekomen, langs de voet van deze
heuvelgrot. Zo'n twintig meter van de trappen verwijderd is
een afbeelding van het lijden van Christus te zien. Over een
afstand van vijf kilometer rond deze heuvel is een Jalan Salip,
een Kruisweg aangelegd. Dertien stopplaatsen zijn er gemaakt
met allemaal een beeltenis of schildering, die behoren tot
de Kruisweg van Christus. Voor een goed christen lijkt het
me wat profaan aandoen maar hier op West-Timor ligt dat anders.
De Portugezen hebben hun best gedaan met hun kerstening maar
de invloed van het polytheïsme is overal in christelijke
gedeelten van Indonesië duidelijk aanwezig. Zo staat
er op het marapu-eiland Sumba, het eiland van de voorouderverering,
in de hoofdstad Waikabubak, een groot Christusfiguur voor
de kerk. Het is Christus maar wel volgens de plaatselijke
overtuiging. Hij is geheel in Sumbanese stijl gekleed en het
kruis dat hij bij zich draagt, is een wat vervormde lans van
een plaatselijke krijger. Van Nederlanders, die daar al een
aantal jaren hun best doen om de plaatselijke bevolking van
het "ware" geloof te overtuigen, hoorde ik het typische
verschijnsel dat sommige inwoners van het eiland sinds een
week christen zijn, maar er geen notie van hebben waar het
Heilige land ligt of wat het Vaticaan is. Dat komt later wel.
Dat onze westerse "beschaving" op het Christendom
gebouwd is, doet er niet veel toe. Als ze maar de Schepper
en de Verlosser kennen.
Na een picknick bij één van de kruisgangafbeeldingen
aan de voet van de grotheuvel vervolgen wij onze weg in de
Toyota. Het nummerbord van ons voertuig is rood, de kleur
van de overheid. Dat doet op veel plaatsen wonderen. Controlerende
beambten openen zonder vragen te stellen slagbomen, die hier
en daar opgesteld zijn voor de veiligheid van de reiziger.
We zitten dan ook op Timor. Het is hier toch in het westelijke
gedeelte veilig? Als er maar mensen werk hebben, dat is het
credo in Indonesië. Met die vele miljoenen inwoners is
het moeilijk iedereen aan een baan te helpen. Je schept gewoon
banen, al is het nut er van soms in geen velden of wegen te
zien.
Na een lange tocht over een erbarmelijk slechte weg maar door
een magnifiek landschap met hier en daar kleine nederzettingen
met de typische Westtimorese umu kbubuks, de bijenkorfachtige
hutten en de plaatselijke culturele uitingen zoals het ikat-weven,
de locale dracht en het stampen van rijst, komen we aan de
westkust van het eiland. De zee heet hier de Savu-zee, genoemd
naar een klein eiland tussen Sumba en Timor. Aan de andere
kant van Timor, tussen het eiland en Australië, heet
het water Timor-zee. Je zou het meer andersom verwachten.
Na een moeilijke doorkruising van een rivier, die hier in
de Savu-zee uitmondt en die op dit moment hoog water heeft
vanwege de vloed van de zee, komen we aan bij een leeg stuk
strand. Erg aantrekkelijk ligt het er niet bij. Geen kokospalmen
aan het strand zoals we gewend zijn uit de toeristenbrochures
van tropische eilanden maar tamarindebomen. Ook niet slecht,
maar toch .... In het niets staat een klein betonnen gebouw
en er zijn wat arbeiders bezig. Waarmee is me niet geheel
duidelijk. Er staat ergens een tent opgesteld waar de arbeiders
de nachten doorbrengen en een eenvoudige vuurplaats geeft
ze de mogelijkheid hun dagelijks portie eten op te warmen.
Verderop ligt een enorme stapel kunststof pijpleidingen in
de felle zon. De Landcruiser wordt geparkeerd en mijn begeleiders
introduceren mij bij de plaatselijke bouwvakkers. Natuurlijk
wordt er thee gezet en in de schaduw van één
van de tamarindes worden in het zand de plannen aan me duidelijk
gemaakt.
Hier, op Tandjung Bastian komt het grootste maar dan ook
enige project van de plaatselijke overheid. Een "tourist-resort"
dat zijn weerga niet kent. Tientallen, in originele huttenstijl
gebouwde toeristenbungalows, die aan de eisen van de rijke
toerist zullen voldoen, worden hier neergezet. Alle luxe,
die een rijke Amerikaan of Japanner zich maar wenst, moet
aanwezig zijn. Wat dat inhoudt, blijkt men na een inleidend
gesprek eigenlijk niet goed te weten. Hoe is het mogelijk!
Tonnen aan rupiah's worden hier de eerste vijf jaar ingestoken
en men heeft geen flauw idee van wat de buitenlander eigenlijk
zoekt. Het enige wat de plaatselijke overheid voor ogen heeft
zijn dollartekens, heel veel dollartekens. Maar hoe je die
dollars uit de zak van de toerist moet krijgen is voor iedereen
een raadsel. Ik moet op mijn woorden passen, merk ik al gauw.
Alles wat ik op- of aanmerk wordt genoteerd!
Er wordt me gevraagd wat een rijke toerist eigenlijk wil.
En daar sta je dan. Als reiziger zal ik plotseling in de schoenen
moeten gaan staan van een niets vermoedende rijkebink, die
geld over heeft en zijn vakantie niet in Frankrijk of Spanje
wil doorbrengen maar eens wat anders wil. Geld speelt in dit
geval geen rol. Wat een Amerikaan of Japanner wil is me niet
bekend omdat ik noch tot het één, noch tot het
andere volk behoor. Ik heb enige notie van wat een bemiddelde
Nederlander zou willen maar ik heb in mijn kennissenkring
geen echte rijke Hollanders zitten. Hoe moet ik nu weten hoe
een vermogend iemand zijn vrije dagen zou willen doorbrengen?
De Babylonische spraakverwarring komt opnieuw om de hoek kijken.
Ik spreek voorzichtig over waterskiën, een sport, die
ik zelf nooit beoefend heb maar waarvan bekend is dat toeristen
dat wel leuk zouden vinden. De vlakke zee hier leent zich
er uitstekend voor. Het woord "waterski" komt niettemin
helemaal verkeerd over. Het woord "ski" begrijpen
ze wel, maar dat kan hier niet! "Er is hier helemaal
geen rif voor de kust! Kijk nu eens naar die vlakke zee hier.
Hoe kan je hier nu skiën?" Het woord "ski"
blijkt in Indonesië gebruikt te worden voor "surfen".
Een surfplank is een "ski". Deze tak van sport hebben
de Australische jongeren hier geïntroduceerd. Op bepaalde
plaatsen in Indonesië, waar een koraalrif honderd of
meer meters voor de kust ligt, zoals op Nias, op Bali en op
het eiland Roti, daar zijn de Australiërs bezig aan de
plaatselijke bevolking hun kunsten te tonen maar hier, op
Tandjung Bastian? Nee, hier kan dat niet! Die Nederlander,
die zich reiziger noemt, is toch wat in de war. Zelfs Pa'e
Nope, mijn redder in de nood, schiet nu te kort. Ik zal dan
ook zelf de oplossing voor deze verwarring moeten geven.
Ik teken in het zand een boot met een buitenboordmotor,
ik trek een lange lijn en aan de andere kant komt een poppetje
op twee plankjes. Ik wijs naar de zee. Mijn omstanders kijken
me ongeloofwaardig aan. Hoe kan nu iemand op twee plankjes
op het water blijven staan? Nicodemus Niola, één
van mijn begeleiders van de Pariwisata blijkt een goed christen
te zijn door de opmerking te plaatsen dat Christus de enige
was die, zelfs zonder plankjes onder de voeten, over het water
kon lopen. Dat kan geen toerist, zelfs geen rijke! Zo blijkt
weer eens hoe moeilijk het is westerse ideeën over te
brengen op Indonesiërs.
Mijn opmerking dat de tamarindebomen hier erg mooi zijn en
veel schaduw geven op dit uitverkoren stuk grond maar dat
er helaas geen kokospalmen groeien, geeft de Pariwisata-mensen
het recht de plaatselijke arbeiders de opdracht te geven de
tamarindebomen te kappen en er kokospalmen voor in de plaats
te zetten. Hopelijk is met hulp van Pa'e dit plan voorkomen.
Wel tien maal heb ik uitgelegd, dat de tamarindes moeten blijven
staan maar op de stukken waar helemaal geen bomen staan, stel
ik voor een paar kokosnoten in de grond te stoppen zodat de
bezoeker dan kan kiezen onder welke boom hij of zij graag
wil zitten om van zijn Martini te genieten. Een tamarinde
biedt de schaduwliefhebber veel meer dan een tien meter hoge
kokospalm!
En zo passeren er tientallen zaken, waarin we elkaar niet
goed begrijpen. Het kost me steeds weer veel moeite om mijn
antwoord op hun vloed van vragen te moeten corrigeren. Je
vraagt je af of ze zelf wel goed weten waar ze mee bezig zijn.
Geld is het enige waar het de plaatselijke autoriteiten om
draait. Ze pompen geld in een project terwijl ze er geen notie
van hebben hoe ze die investering er binnen afzienbare tijd
uit kunnen krijgen. Ik houd me dan ook na een tijdje van de
domme. Een moeilijke beslissing want deze mensen snakken naar
informatie, die nuttig kan zijn voor het welslagen van dit
enorme project. Ik kan echter niet anders. Ik heb ideeën
genoeg maar kan ze niet kwijt. Telkens worden ze verkeerd
geïnterpreteerd.
Ook het feit dat zij voorstellen een scheiding aan te leggen
tussen de rijkelui uit Indonesië en die uit Europa, Amerika
of Japan. Mijn opmerking over door corruptie rijk geworden
Indonesiërs zorgt voor deze zogenaamde volksscheiding.
Maar waarom dan niet? U zegt het, dus zo zal het moeten! Ze
hechten veel te veel waarde aan mijn woorden. Dat is ondertussen
goed duidelijk geworden na een klein uurtje "onderhandelen".
Ik word er moedeloos van en maak aanstalten om te vertrekken.
Niemand begrijpt er iets van dat de reiziger nu al van dit
toekomstig paradijs afscheid wil nemen maar een Europeaan,
en in dit geval ben ik dat, is anders en die heeft het altijd
bij het rechte eind. De motor van de Toyota wordt gestart
en net voordat iedereen zijn plaats in ons vervoermiddel heeft
ingenomen, ik moet natuurlijk weer voorin naast de chauffeur
plaats nemen, wordt me nog door één van de werkers
een gebakken vis aangeboden. "Met hartelijke dank voor
de fantastische ideeën, die ons project zullen doen slagen."
De gebakken vis wordt onder gemengde gevoelens opgegeten.
Waar blijft de onafhankelijkheid en het nationalistische gevoel
van de Indonesiër? Ik heb me het laatste uur een neokoloniaal
gevoeld, een aanbeden persoon, die het totaal voor het zeggen
had en die het hele plan beheerste alhoewel ik mijn uiterste
best deed het tegendeel te bewijzen. Ik moet hier zo snel
mogelijk weg.
Wij verlaten dan wel de "site" waar het allemaal
staat te gebeuren, maar mijn mensen gaan mee in de auto. Daarin
wordt tijdens onze terugtocht nog stevig gediscussieerd over
wat ik allemaal aan goede ideeën had. Er is niet aan
te tornen. "Onze buitenlander" weet het toch allemaal
beter dan wij samen. Ik houd mijn mond dicht om niet nog meer
onheil aan te richten. Ik ben in een knap lastige en onaangename
situatie verzeild geraakt.
Vanaf het kale strand rijdt er voor ons een grote vrachtwagen
het zandpad af richting rivier. Op de open vrachtwagen staan
zes man, die om de tien meter een stuk kunststof waterleidingpijp
de vrachtwagen uitgooien. Dat wordt de zoetwateraanvoer voor
het Bastian-project. Er is binnen een straal van twintig kilometer
geen zoet water te vinden. Vandaar dat er een kilometers lange
pijpleiding aangelegd moet worden vanaf een bergstroom tot
aan Tandjung Bastian. Zijn we eenmaal de rivier over dan kan
ik de daar de reeds aangelegde waterleiding volgen. Deze kunststof
waterleiding wordt niet zoals bij ons in de grond weggewerkt.
Het is niet eenvoudig een pijp in te graven in deze steen-
en rotsomgeving.
Toch kan ik een opmerking niet voor me houden als ik zie
dat de waterleiding niet alleen het hele traject bovengronds
wordt aangelegd waardoor de zon constant vrij spel heeft op
deze kunststof buizen en ze dus uit kan drogen en poreus zal
maken maar ook dat de buis dwars door dorpen loopt tussen
de hutten door, waar ik al zie dat kinderen heerlijk op de
buis springen en volwassenen er gaatjes in proberen te maken.
Want wat is er niet leuker dan ook stromend water in je dorp
te hebben? Nog nooit hebben zij stromend water in hun dorp
gehad. Nog altijd moeten zij een tiental kilometers lopen
met emmers en kruiken om drinkwater in hun dorp te krijgen.
"Waarom krijgen de toekomstige "bewoners" van
de toeristenhutten wel stromend water en wij niet? Wij wonen
er al sinds vele generaties en hebben er al vaker om gevraagd."
Het doet me pijn aan het hart om deze mensen in hun dorpen
met de pijpleiding bezig te zien. Want tappen zij in de toekomst
water af dan zullen ze er zwaar voor gestraft worden. Aan
die paar autochtonen in de buurt is toch geen geld te verdienen!
Maar aan Amerikanen en Japanners? Juist ……
Toch valt er wel degelijk geld te verdienen aan de plaatselijke
bevolking. Organiseer excursies naar authentieke dorpen, waarin
nog volgens traditionele manier geleefd wordt. Daar wordt
nog ikat geweven op eenvoudige handweefgetouwen. Daar zijn
de mensen nog traditioneel gekleed. Daar geldt de echte adat
nog als grondwet en daar bouwt men nog op traditionele manier
hutten. Laat de toerist datgene zien, wat zij al lang geleden
hebben verloren, wat zij allang hebben vergeten, wat zij al
lang geleden hebben zien uitsterven in hun eigen maatschappij.
Er is bij de toerist een sterk verlangen om nog eens te kunnen
zien hoe het vroeger was in hun eigen wereld, al ziet het
er hier heel anders uit dan bij hen thuis. Geef de dorpsbewoners
stromend water, geef ze genoeg om in harmonie te kunnen leven
met een westerse "kolonie" naast hen. Anders krijg
je toestanden, die kunnen escaleren en die als gevolg hebben
dat de plaatselijke bevolking wegtrekt en in disharmonie leeft
met de opzet van het project "Tandjung Bastian"
en dus het toerisme als ondergang van de Timorese samenleving
zal zien. Timor is nog niet rijp voor dit soort projecten,
denk ik na deze taferelen gezien en “gevoeld”
te hebben. Ze zijn hier verkeerd bezig, gelijk de jaren '80
op Bali. En dat is het enige, dat ze nu niet willen. Vreemd
is dat eigenlijk.
Bij terugkomst in Kefamenanu word ik ontvangen door de bupati.
Ik moet mijn mening vertellen over het fantastische idee van
Tandjung Bastian. De blauwdrukken van het hele project worden
op tafel gelegd. Ik bestudeer uitvoerig deze plattegrond.
Alles staat er op. De tamarindebomen vind ik zelfs terug op
de plannen. Daarbij zie ik parkeerplaatsen, de geplande airconditioned
"hutten", de restaurants en het zwembad. Onderaan
de blauwdruk staat de officiële toestemming van de regering
uit Jakarta. En toch vraagt de bupati me of er wel genoeg
parkeerplaatsen zijn en of het zwembad wel op de goede plaats
ligt en of het niet een paar meter naar links of naar rechts
moet. Ik ben met stomheid geslagen. Wat willen ze nu eigenlijk
van me? Ze willen alleen maar horen wat zij graag willen horen.
Ze luisteren absoluut niet naar de problematiek, die ik voorzichtig
te berde heb gebracht vanwege dit grootse project.
Ze zien niet in, dat een groot deel van de nu nog serene
en maagdelijke natuur en cultuur van Timor binnen een mum
van tijd zal verdwijnen als "Tandjung Bastian" zich
voor de toerist zal openstellen. Ze denken volgens hun eigen
maatstaven, ze hopen goede raad te krijgen over het project
maar ze luisteren niet. Als ik merk dat de bupati me allerlei
zaken op de blauwdruk uitlegt en in zee de hutten projecteert,
daar ook de parkeerplaatsen en de verschillende restaurants
aanwijst en op het land uitlegt waar haaiennetten opgehangen
zullen worden, verbaas ik me niet over de onkunde van deze
doctorandus. Hij heeft zonder het te merken een kwartier lang
de blauwdruk op zijn kop op tafel liggen.
Ik word ter plekke uitgenodigd om over een jaar of drie,
na de eerste fase, zelf te komen kijken wat er van geworden
is. Ik mag er dan zo lang blijven als ik wil op kosten van
de plaatselijke autoriteiten. Ik vraag me nu al af of ik over
drie jaar misschien de enige toerist zal zijn, die hier in
dit dan al vervallen en verwaarloosde "tourist-resort"
de teloorgang van het "kapitalistisch denken" van
de Indonesiër mag meemaken. Ik dank de bupati hartelijk
voor zijn aanbod en laat me met mijn begeleider Pa'e naar
ons hotel brengen.
Als wij drie dagen later, na meer tours te hebben gemaakt
met de mensen van de Dinas Pariwisata naar de meest bijzondere
plekjes in Centraal Timor, onze reis voortzetten naar de volgende
provincie, Atambua, merken wij, dat onze hotelrekening in
Kefamenanu door de bupati al is betaald. Het is allemaal niet
te geloven! Wat een land en wat een mensen! Zou je ze ooit
kunnen begrijpen?
Ik heb tot zo ver in mijn leven meer dan een jaar in Indonesië
al reizend doorgebracht, maar om de Indonesiër te doorgronden
heb ik waarschijnlijk vele jaren nodig. Ach, waarom ook niet?
Ik zal maar weer eens snel teruggaan naar dit fascinerende,
maar ongrijpbare land en haar bevolking.
info@worldpictureservice.nl
www.WorldPictureService.nl
|