Baobab
Indonesië: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië

Het Tandjung Bastian-project op west-Timor

Indonesië reisverhaal: verslag van een reis door Indonesië

(tekst en foto: Frank van den Berge)

Indonesie reizen

Zoals afgesproken staan Pa'e Nope en ik rond zeven uur 's morgens voor ons hotel te wachten op de Toyota Landcruiser van de overheid, die ons vandaag naar plaatsen zal brengen, die nauwelijks tot niet op de kaart te vinden zijn. Het is al erg warm. De zon is al een uur of twee eerder dan wij opgestaan en doet zijn best om er vandaag een hete dag van te maken. Gisteren zijn we door de plaatselijke autoriteiten hier in Kefamenanu, een kleine stad in het centrale gedeelte van West-Timor beloofd de bergen in te gaan op zoek naar dorpen, die voor het toekomstig toerisme van belang kunnen zijn.

Alhoewel Timor goed met vliegtuig en boot te bereiken is, stelt het internationale toerisme hier helemaal niets voor. Daarom is mij door mijn begeleider Pa'e Nope gevraagd om als Nederlander contact te zoeken met de Dinas Pariwisata, de plaatselijke V.V.V. Ze zitten daar al jaren met de handen in het haar. Vanuit Jakarta krijgen ze jaarlijks een groot bedrag om aan promotie van het toerisme uit te geven, ze hebben een enorm potentieel aan natuur en cultuur te bieden maar niemand weet hoe ze zoiets moeten aanpakken. Toeristen komen er niet vanwege het feit, dat de naam Timor in Europa maar ook in het naburige Australië een slechte naam verworven heeft vanwege de activiteiten van het Fretilin, de vrijheidsbeweging op Oost-Timor, de oude Portugese kolonie, die in 1976 door Indonesië als 27 ste en laatste provincie is ingelijfd. En daaronder leidt niet alleen het toerisme naar Oost-Timor, maar ook dat naar het westelijke gedeelte. Ten onrechte trouwens.

West-Timor is uitstekend te bereizen zonder welke vorm van politieke spanning dan ook. Dat geldt trouwens voor 90% ook voor haar oostelijke helft. De plaatselijke autoriteiten hier in Kefamenanu hebben wel door, dat hun gebied geen tweede Bali mag worden. De negatieve kanten van het toerisme steken daar nu duidelijk de kop op na de toeristen-"boom" van de jaren '80 en '90. Maar wat het dan wel moet worden, daar hebben ze geen idee van. Daarom zijn Pa'e en ik gevraagd om daar eens goed over na te denken. Pa'e Nope is de laatste zoon van de Raja van Niki-Niki, een kleine plaats niet ver van hier. Hij heeft vanwege zijn koninklijke afstamming een zekere eerbied verworven bij de plaatselijke bevolking, die zijn reeds overleden vader op handen droegen. Pa'e spreekt een paar van de lokale talen vloeiend, beheerst het Bahasa Indonesia als overkoepelende taal en spreekt redelijk goed Engels. Van Pa'e heeft de Dinas gehoord dat er een Nederlander al maandenlang met zijn fiets over de Kleine Sunda-eilanden rondreist en die zich niet als toerist, maar als reiziger/fotograaf in Indonesië ophoudt. Die zouden ze wel eens willen ontmoeten.

Gisteren was het dan zover. In mijn beste kleren gestoken verscheen ik met Pa'e Nope, hij in keurig pak met stropdas, bij de afdeling Toerisme van het Ministerie van Binnenlandse Aangelegenheden. Al snel bleek onder het genot van een glas koud water dat niemand van deze afdeling de Engelse taal beheerste. Dat maakte het er niet eenvoudiger op. Alle theorieën over de aanpak van het toerisme moesten door Pa'e van de plaatselijke taal met hier en daar een woord Bahasa in het Engels vertaald worden. Daar was af en toe geen touw aan vast te knopen. Het Engels van Pa'e bestreek niet voldoende datgene wat me verteld wilde worden. Ook de uitnodiging om op hoog bezoek te gaan bij de bupati, het plaatselijk hoofd van de provincie Kefamenanu, droeg niet bij tot het duidelijk maken van hun opzet. Alhoewel de heer Amaunut, de bupati, de titel van Drs. droeg, verkeerde hij in de veronderstelling, dat een westerling zijn Engels wel zou begrijpen. Zijn Bahasa Indonesia was begrijpelijker voor me dan zijn beheersing van de meest gesproken wereldtaal.

Na deze Babylonische spraakverwarring werd het hoog tijd de reiziger maar eens wat te laten zien. Want plannen hadden ze en de visie van een Nederlander op deze plannen zou hen zekerheid geven over het welslagen ervan. "Morgen gaan we er met de Landcruiser op uit en zullen u eens laten zien wat we voor de toekomstige toerist in petto hebben. Neem eten en drinken mee en trek uw beste kleren aan. We zullen eventueel andere hoogwaardigheidsbekleders tegen kunnen komen en de plaatselijke stamhoofden hebben nog steeds het recht ons de toegang tot hun dorpen te weigeren. Laat ons het woord voeren, dan is er niets aan de hand." Ik word ter plekke nieuwsgierig. Wat staat er allemaal te gebeuren?
Een half uur later dan gepland rijdt een Toyota Landcruiser het terrein op van het hotel waar Pa'e en ik die nacht hebben doorgebracht. In de auto zitten drie ambtenaren, die ik van gisteren herken. Een chauffeur is ingehuurd om ons naar de diverse plekken te rijden, die de bupati, die vandaag zijn verplichtingen heeft op het Kabupaten-kantoor en ons dus tot zijn spijt niet kan begeleiden, hem heeft opgegeven.

Bali reizen

We rijden eerst naar "Gua Bitauni", een grot waarin zich een Mariabeeld bevindt en dienst doet als bedevaartplaats, het Lourdes van West-Timor. We beklimmen de steile trappen, die esthetisch niet geheel passen in de plaatselijk natuur. Ze vloeken met de prachtige omgeving waarin zich deze grot bevindt. Ook de treden zijn wat te hoog voor een normaal mens. Het bereiken van Maria moet dan ook een opgave zijn en veel moeite kosten. Een soort boetedoening. Een vorm van zelfkastijding!

Totaal bezweet komen we aan bij de grot. Opvliegende vleermuizen maken het binnenkomen via een smalle en lage doorgang wat problematisch en hun uitwerpselen doen lijken alsof het imposante beeld van Maria in de grot stinkt. Toch zijn hier op 15 augustus meer dan vijfduizend mensen bij elkaar om Maria met kaarsen te bewieroken. Beneden aan de voet van de trappen staat een kleine kiosk waar je dan kaarsen kan kopen maar het is vandaag 16 mei. De kiosk is dan ook gesloten. Wel bevindt zich naast het Mariabeeld een offerkist. Ik gooi er uit piëteit wat munten in. Het zijn de enige munten, die de kist daarna bevat. Maria wordt beschenen door wat zonnestralen, die via een gat in de grot binnenkomen. Stalagmieten en stalactieten maken de sfeer wat macaber. Je verwacht hier meer rotstekeningen dan een Mariabeeld. Er staat iemand te bidden terwijl ik het beeld sta te bewonderen. De bidder staat echter niet dezelfde richting op te kijken als ik doe. Hij heeft zijn eigen Maria geschapen, een enorme stalagmiet, die me niet echt christelijk voorkomt. Het christendom hier op West-Timor heeft zijn eigen manier van beleven. Het "paganisme", het "heidense" volgens de gelovigen, viert hier nog steeds hoogtij.

Ikzelf voel me noch aangetrokken tot het bidden voor het beeld, noch voor de stalagmiet en verlaat na een rondgang tussen het gefladder van de kalongs door, de grot. De anderen volgen me op de voet want wat ik als buitenlander doe, is vandaag heilig, zo wordt me verteld bij het weer opsnuiven van de frisse buitenlucht. We dalen de lelijke stenen trappen weer af en lopen, beneden aangekomen, langs de voet van deze heuvelgrot. Zo'n twintig meter van de trappen verwijderd is een afbeelding van het lijden van Christus te zien. Over een afstand van vijf kilometer rond deze heuvel is een Jalan Salip, een Kruisweg aangelegd. Dertien stopplaatsen zijn er gemaakt met allemaal een beeltenis of schildering, die behoren tot de Kruisweg van Christus. Voor een goed christen lijkt het me wat profaan aandoen maar hier op West-Timor ligt dat anders.

De Portugezen hebben hun best gedaan met hun kerstening maar de invloed van het polytheïsme is overal in christelijke gedeelten van Indonesië duidelijk aanwezig. Zo staat er op het marapu-eiland Sumba, het eiland van de voorouderverering, in de hoofdstad Waikabubak, een groot Christusfiguur voor de kerk. Het is Christus maar wel volgens de plaatselijke overtuiging. Hij is geheel in Sumbanese stijl gekleed en het kruis dat hij bij zich draagt, is een wat vervormde lans van een plaatselijke krijger. Van Nederlanders, die daar al een aantal jaren hun best doen om de plaatselijke bevolking van het "ware" geloof te overtuigen, hoorde ik het typische verschijnsel dat sommige inwoners van het eiland sinds een week christen zijn, maar er geen notie van hebben waar het Heilige land ligt of wat het Vaticaan is. Dat komt later wel. Dat onze westerse "beschaving" op het Christendom gebouwd is, doet er niet veel toe. Als ze maar de Schepper en de Verlosser kennen.

Na een picknick bij één van de kruisgangafbeeldingen aan de voet van de grotheuvel vervolgen wij onze weg in de Toyota. Het nummerbord van ons voertuig is rood, de kleur van de overheid. Dat doet op veel plaatsen wonderen. Controlerende beambten openen zonder vragen te stellen slagbomen, die hier en daar opgesteld zijn voor de veiligheid van de reiziger. We zitten dan ook op Timor. Het is hier toch in het westelijke gedeelte veilig? Als er maar mensen werk hebben, dat is het credo in Indonesië. Met die vele miljoenen inwoners is het moeilijk iedereen aan een baan te helpen. Je schept gewoon banen, al is het nut er van soms in geen velden of wegen te zien.
Na een lange tocht over een erbarmelijk slechte weg maar door een magnifiek landschap met hier en daar kleine nederzettingen met de typische Westtimorese umu kbubuks, de bijenkorfachtige hutten en de plaatselijke culturele uitingen zoals het ikat-weven, de locale dracht en het stampen van rijst, komen we aan de westkust van het eiland. De zee heet hier de Savu-zee, genoemd naar een klein eiland tussen Sumba en Timor. Aan de andere kant van Timor, tussen het eiland en Australië, heet het water Timor-zee. Je zou het meer andersom verwachten.

Na een moeilijke doorkruising van een rivier, die hier in de Savu-zee uitmondt en die op dit moment hoog water heeft vanwege de vloed van de zee, komen we aan bij een leeg stuk strand. Erg aantrekkelijk ligt het er niet bij. Geen kokospalmen aan het strand zoals we gewend zijn uit de toeristenbrochures van tropische eilanden maar tamarindebomen. Ook niet slecht, maar toch .... In het niets staat een klein betonnen gebouw en er zijn wat arbeiders bezig. Waarmee is me niet geheel duidelijk. Er staat ergens een tent opgesteld waar de arbeiders de nachten doorbrengen en een eenvoudige vuurplaats geeft ze de mogelijkheid hun dagelijks portie eten op te warmen. Verderop ligt een enorme stapel kunststof pijpleidingen in de felle zon. De Landcruiser wordt geparkeerd en mijn begeleiders introduceren mij bij de plaatselijke bouwvakkers. Natuurlijk wordt er thee gezet en in de schaduw van één van de tamarindes worden in het zand de plannen aan me duidelijk gemaakt.

Hier, op Tandjung Bastian komt het grootste maar dan ook enige project van de plaatselijke overheid. Een "tourist-resort" dat zijn weerga niet kent. Tientallen, in originele huttenstijl gebouwde toeristenbungalows, die aan de eisen van de rijke toerist zullen voldoen, worden hier neergezet. Alle luxe, die een rijke Amerikaan of Japanner zich maar wenst, moet aanwezig zijn. Wat dat inhoudt, blijkt men na een inleidend gesprek eigenlijk niet goed te weten. Hoe is het mogelijk! Tonnen aan rupiah's worden hier de eerste vijf jaar ingestoken en men heeft geen flauw idee van wat de buitenlander eigenlijk zoekt. Het enige wat de plaatselijke overheid voor ogen heeft zijn dollartekens, heel veel dollartekens. Maar hoe je die dollars uit de zak van de toerist moet krijgen is voor iedereen een raadsel. Ik moet op mijn woorden passen, merk ik al gauw. Alles wat ik op- of aanmerk wordt genoteerd!

Er wordt me gevraagd wat een rijke toerist eigenlijk wil. En daar sta je dan. Als reiziger zal ik plotseling in de schoenen moeten gaan staan van een niets vermoedende rijkebink, die geld over heeft en zijn vakantie niet in Frankrijk of Spanje wil doorbrengen maar eens wat anders wil. Geld speelt in dit geval geen rol. Wat een Amerikaan of Japanner wil is me niet bekend omdat ik noch tot het één, noch tot het andere volk behoor. Ik heb enige notie van wat een bemiddelde Nederlander zou willen maar ik heb in mijn kennissenkring geen echte rijke Hollanders zitten. Hoe moet ik nu weten hoe een vermogend iemand zijn vrije dagen zou willen doorbrengen? De Babylonische spraakverwarring komt opnieuw om de hoek kijken.

Ik spreek voorzichtig over waterskiën, een sport, die ik zelf nooit beoefend heb maar waarvan bekend is dat toeristen dat wel leuk zouden vinden. De vlakke zee hier leent zich er uitstekend voor. Het woord "waterski" komt niettemin helemaal verkeerd over. Het woord "ski" begrijpen ze wel, maar dat kan hier niet! "Er is hier helemaal geen rif voor de kust! Kijk nu eens naar die vlakke zee hier. Hoe kan je hier nu skiën?" Het woord "ski" blijkt in Indonesië gebruikt te worden voor "surfen". Een surfplank is een "ski". Deze tak van sport hebben de Australische jongeren hier geïntroduceerd. Op bepaalde plaatsen in Indonesië, waar een koraalrif honderd of meer meters voor de kust ligt, zoals op Nias, op Bali en op het eiland Roti, daar zijn de Australiërs bezig aan de plaatselijke bevolking hun kunsten te tonen maar hier, op Tandjung Bastian? Nee, hier kan dat niet! Die Nederlander, die zich reiziger noemt, is toch wat in de war. Zelfs Pa'e Nope, mijn redder in de nood, schiet nu te kort. Ik zal dan ook zelf de oplossing voor deze verwarring moeten geven.

Ik teken in het zand een boot met een buitenboordmotor, ik trek een lange lijn en aan de andere kant komt een poppetje op twee plankjes. Ik wijs naar de zee. Mijn omstanders kijken me ongeloofwaardig aan. Hoe kan nu iemand op twee plankjes op het water blijven staan? Nicodemus Niola, één van mijn begeleiders van de Pariwisata blijkt een goed christen te zijn door de opmerking te plaatsen dat Christus de enige was die, zelfs zonder plankjes onder de voeten, over het water kon lopen. Dat kan geen toerist, zelfs geen rijke! Zo blijkt weer eens hoe moeilijk het is westerse ideeën over te brengen op Indonesiërs.

Mijn opmerking dat de tamarindebomen hier erg mooi zijn en veel schaduw geven op dit uitverkoren stuk grond maar dat er helaas geen kokospalmen groeien, geeft de Pariwisata-mensen het recht de plaatselijke arbeiders de opdracht te geven de tamarindebomen te kappen en er kokospalmen voor in de plaats te zetten. Hopelijk is met hulp van Pa'e dit plan voorkomen. Wel tien maal heb ik uitgelegd, dat de tamarindes moeten blijven staan maar op de stukken waar helemaal geen bomen staan, stel ik voor een paar kokosnoten in de grond te stoppen zodat de bezoeker dan kan kiezen onder welke boom hij of zij graag wil zitten om van zijn Martini te genieten. Een tamarinde biedt de schaduwliefhebber veel meer dan een tien meter hoge kokospalm!

En zo passeren er tientallen zaken, waarin we elkaar niet goed begrijpen. Het kost me steeds weer veel moeite om mijn antwoord op hun vloed van vragen te moeten corrigeren. Je vraagt je af of ze zelf wel goed weten waar ze mee bezig zijn. Geld is het enige waar het de plaatselijke autoriteiten om draait. Ze pompen geld in een project terwijl ze er geen notie van hebben hoe ze die investering er binnen afzienbare tijd uit kunnen krijgen. Ik houd me dan ook na een tijdje van de domme. Een moeilijke beslissing want deze mensen snakken naar informatie, die nuttig kan zijn voor het welslagen van dit enorme project. Ik kan echter niet anders. Ik heb ideeën genoeg maar kan ze niet kwijt. Telkens worden ze verkeerd geïnterpreteerd.

Ook het feit dat zij voorstellen een scheiding aan te leggen tussen de rijkelui uit Indonesië en die uit Europa, Amerika of Japan. Mijn opmerking over door corruptie rijk geworden Indonesiërs zorgt voor deze zogenaamde volksscheiding. Maar waarom dan niet? U zegt het, dus zo zal het moeten! Ze hechten veel te veel waarde aan mijn woorden. Dat is ondertussen goed duidelijk geworden na een klein uurtje "onderhandelen". Ik word er moedeloos van en maak aanstalten om te vertrekken. Niemand begrijpt er iets van dat de reiziger nu al van dit toekomstig paradijs afscheid wil nemen maar een Europeaan, en in dit geval ben ik dat, is anders en die heeft het altijd bij het rechte eind. De motor van de Toyota wordt gestart en net voordat iedereen zijn plaats in ons vervoermiddel heeft ingenomen, ik moet natuurlijk weer voorin naast de chauffeur plaats nemen, wordt me nog door één van de werkers een gebakken vis aangeboden. "Met hartelijke dank voor de fantastische ideeën, die ons project zullen doen slagen." De gebakken vis wordt onder gemengde gevoelens opgegeten. Waar blijft de onafhankelijkheid en het nationalistische gevoel van de Indonesiër? Ik heb me het laatste uur een neokoloniaal gevoeld, een aanbeden persoon, die het totaal voor het zeggen had en die het hele plan beheerste alhoewel ik mijn uiterste best deed het tegendeel te bewijzen. Ik moet hier zo snel mogelijk weg.

Wij verlaten dan wel de "site" waar het allemaal staat te gebeuren, maar mijn mensen gaan mee in de auto. Daarin wordt tijdens onze terugtocht nog stevig gediscussieerd over wat ik allemaal aan goede ideeën had. Er is niet aan te tornen. "Onze buitenlander" weet het toch allemaal beter dan wij samen. Ik houd mijn mond dicht om niet nog meer onheil aan te richten. Ik ben in een knap lastige en onaangename situatie verzeild geraakt.

Vanaf het kale strand rijdt er voor ons een grote vrachtwagen het zandpad af richting rivier. Op de open vrachtwagen staan zes man, die om de tien meter een stuk kunststof waterleidingpijp de vrachtwagen uitgooien. Dat wordt de zoetwateraanvoer voor het Bastian-project. Er is binnen een straal van twintig kilometer geen zoet water te vinden. Vandaar dat er een kilometers lange pijpleiding aangelegd moet worden vanaf een bergstroom tot aan Tandjung Bastian. Zijn we eenmaal de rivier over dan kan ik de daar de reeds aangelegde waterleiding volgen. Deze kunststof waterleiding wordt niet zoals bij ons in de grond weggewerkt. Het is niet eenvoudig een pijp in te graven in deze steen- en rotsomgeving.

Toch kan ik een opmerking niet voor me houden als ik zie dat de waterleiding niet alleen het hele traject bovengronds wordt aangelegd waardoor de zon constant vrij spel heeft op deze kunststof buizen en ze dus uit kan drogen en poreus zal maken maar ook dat de buis dwars door dorpen loopt tussen de hutten door, waar ik al zie dat kinderen heerlijk op de buis springen en volwassenen er gaatjes in proberen te maken. Want wat is er niet leuker dan ook stromend water in je dorp te hebben? Nog nooit hebben zij stromend water in hun dorp gehad. Nog altijd moeten zij een tiental kilometers lopen met emmers en kruiken om drinkwater in hun dorp te krijgen. "Waarom krijgen de toekomstige "bewoners" van de toeristenhutten wel stromend water en wij niet? Wij wonen er al sinds vele generaties en hebben er al vaker om gevraagd." Het doet me pijn aan het hart om deze mensen in hun dorpen met de pijpleiding bezig te zien. Want tappen zij in de toekomst water af dan zullen ze er zwaar voor gestraft worden. Aan die paar autochtonen in de buurt is toch geen geld te verdienen! Maar aan Amerikanen en Japanners? Juist ……

Toch valt er wel degelijk geld te verdienen aan de plaatselijke bevolking. Organiseer excursies naar authentieke dorpen, waarin nog volgens traditionele manier geleefd wordt. Daar wordt nog ikat geweven op eenvoudige handweefgetouwen. Daar zijn de mensen nog traditioneel gekleed. Daar geldt de echte adat nog als grondwet en daar bouwt men nog op traditionele manier hutten. Laat de toerist datgene zien, wat zij al lang geleden hebben verloren, wat zij allang hebben vergeten, wat zij al lang geleden hebben zien uitsterven in hun eigen maatschappij. Er is bij de toerist een sterk verlangen om nog eens te kunnen zien hoe het vroeger was in hun eigen wereld, al ziet het er hier heel anders uit dan bij hen thuis. Geef de dorpsbewoners stromend water, geef ze genoeg om in harmonie te kunnen leven met een westerse "kolonie" naast hen. Anders krijg je toestanden, die kunnen escaleren en die als gevolg hebben dat de plaatselijke bevolking wegtrekt en in disharmonie leeft met de opzet van het project "Tandjung Bastian" en dus het toerisme als ondergang van de Timorese samenleving zal zien. Timor is nog niet rijp voor dit soort projecten, denk ik na deze taferelen gezien en “gevoeld” te hebben. Ze zijn hier verkeerd bezig, gelijk de jaren '80 op Bali. En dat is het enige, dat ze nu niet willen. Vreemd is dat eigenlijk.

Bij terugkomst in Kefamenanu word ik ontvangen door de bupati. Ik moet mijn mening vertellen over het fantastische idee van Tandjung Bastian. De blauwdrukken van het hele project worden op tafel gelegd. Ik bestudeer uitvoerig deze plattegrond. Alles staat er op. De tamarindebomen vind ik zelfs terug op de plannen. Daarbij zie ik parkeerplaatsen, de geplande airconditioned "hutten", de restaurants en het zwembad. Onderaan de blauwdruk staat de officiële toestemming van de regering uit Jakarta. En toch vraagt de bupati me of er wel genoeg parkeerplaatsen zijn en of het zwembad wel op de goede plaats ligt en of het niet een paar meter naar links of naar rechts moet. Ik ben met stomheid geslagen. Wat willen ze nu eigenlijk van me? Ze willen alleen maar horen wat zij graag willen horen. Ze luisteren absoluut niet naar de problematiek, die ik voorzichtig te berde heb gebracht vanwege dit grootse project.

Ze zien niet in, dat een groot deel van de nu nog serene en maagdelijke natuur en cultuur van Timor binnen een mum van tijd zal verdwijnen als "Tandjung Bastian" zich voor de toerist zal openstellen. Ze denken volgens hun eigen maatstaven, ze hopen goede raad te krijgen over het project maar ze luisteren niet. Als ik merk dat de bupati me allerlei zaken op de blauwdruk uitlegt en in zee de hutten projecteert, daar ook de parkeerplaatsen en de verschillende restaurants aanwijst en op het land uitlegt waar haaiennetten opgehangen zullen worden, verbaas ik me niet over de onkunde van deze doctorandus. Hij heeft zonder het te merken een kwartier lang de blauwdruk op zijn kop op tafel liggen.

Ik word ter plekke uitgenodigd om over een jaar of drie, na de eerste fase, zelf te komen kijken wat er van geworden is. Ik mag er dan zo lang blijven als ik wil op kosten van de plaatselijke autoriteiten. Ik vraag me nu al af of ik over drie jaar misschien de enige toerist zal zijn, die hier in dit dan al vervallen en verwaarloosde "tourist-resort" de teloorgang van het "kapitalistisch denken" van de Indonesiër mag meemaken. Ik dank de bupati hartelijk voor zijn aanbod en laat me met mijn begeleider Pa'e naar ons hotel brengen.
Als wij drie dagen later, na meer tours te hebben gemaakt met de mensen van de Dinas Pariwisata naar de meest bijzondere plekjes in Centraal Timor, onze reis voortzetten naar de volgende provincie, Atambua, merken wij, dat onze hotelrekening in Kefamenanu door de bupati al is betaald. Het is allemaal niet te geloven! Wat een land en wat een mensen! Zou je ze ooit kunnen begrijpen?

Ik heb tot zo ver in mijn leven meer dan een jaar in Indonesië al reizend doorgebracht, maar om de Indonesiër te doorgronden heb ik waarschijnlijk vele jaren nodig. Ach, waarom ook niet? Ik zal maar weer eens snel teruggaan naar dit fascinerende, maar ongrijpbare land en haar bevolking.


info@worldpictureservice.nl
www.WorldPictureService.nl

Vamonos Travels

 

 



 

ATP vakanties

 

Vliegticketspecialist

 

Reisspecialist
Google