|
Indonesië: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
Een dagje Pasola op het eiland Sumba
Indonesië reisverhaal: verslag van een reis door Indonesië
(tekst: Frank van den Berge)
| Het is rond vier uur 's morgens al erg onrustig in Desa
Puli. Desa Puli is het traditionele heuveldorpje, waar
ik voor een paar dagen bij een familie onderdak heb gevonden
vanwege de te houden Pasola. Het dorpje ligt in het Wanokaka-district
op een heuvel met een prachtig uitzicht over de sawaveldjes
beneden, die tot bijna aan de rand van de zee zijn aangelegd.
Het kleine stroompje vlakbij, een bronriviertje, zorgt
het hele jaar door voor voldoende water. Het is dan ook
tevens de wasplaats voor de Puli-inwoners. |
|
Ik heb gisteren na mijn aankomst vanuit Waikabubak met mijn
fiets, die nu ergens beneden in een kleine hut geparkeerd
staat, al van deze openbare wasplaats kunnen genieten. Veel
water is er niet maar het stroomt en het water is koel. Een
kleine waterval, niet ver van de wasplaats, is een constante
"mandi" waar je eigenlijk niet meer onderuit wil
komen als je er eenmaal onder staat. De enorme aandacht, die
je ondertussen trekt, dwingt je echter eerder deze koude douche
op te geven dan je eigenlijk wil om dan maar weer naar het
dorpje terug te gaan.
Ik zal vandaag de wasplaats in het donker moeten zoeken.
Zo vroeg als het nu is, is er nog geen sprake van enig zonlicht.
Schijnen de eerste zonnestralen dan eindelijk op het strandje
aan de voet van Desa Puli, dan moet het feest direct kunnen
beginnen. Ik vraag Kana, de zoon des huizes, om hulp om op
dit onchristelijk uur de wasplaats te helpen vinden. Hij is
ook net op. Het is voor hem een bijzondere dag. Tijdens de
struikeltocht naar ons ochtendbad vertelt hij mij dat hij
verantwoordelijk is voor de daden, die zijn voorouders, tenminste,
de geesten van zijn voorouders, de z.g. marapu, ondertussen
hebben gepleegd en die misschien nog niet zijn afgelost. Het
nieuwe jaar gaat in tussen de tweede en derde volle maan in
het zonnejaar en iedereen zal graag schuldenvrij opnieuw willen
beginnen. Er zullen tegenprestaties geleverd moeten worden
naar de goden toe, als die eventueel beledigd zouden zijn
in het afgelopen jaar. Als je de goden niet aan je kant hebt,
groeit er niets op je rijstveld, dan brandt je "uma",
je huis af en allerlei ziektes zullen slachtoffers in je familie
maken. Geen pretje dus. Kleine offers het hele jaar door doen
al kleine wonderen maar de grote fouten van je marapu, je
vooroudergeesten, zullen vandaag beboet moeten worden. En
daarvoor dient de Pasola, een speerwerp-spel op leven en dood.
De openstaande rekeningen van de voorouder-geesten worden
hierdoor vereffend. Vandaag is je dood een teken dat de bovennatuurlijke
beschermers van het dorp beledigd zijn. Jarenlang bleek er
meer dan één te zijn, die onaardig jegens de
geesten was geweest. De geworpen speren doorboorden menig
Sumbanees. Toch werd het de regering in Jakarta te gortig.
Tegen de plaatselijke cultuurregels in bepaalde zij dat de
speren niet meer puntig mochten zijn. De kans op dodelijke
slachtoffers zou daardoor een stuk kleiner worden maar of
er nu minder doden vallen omdat de bovennatuurlijke beschermers
minder zijn beledigd is, na intrede van deze regeringsregel,
de grote vraag.
Na onze gezamenlijke douche lopen we terug naar het dorp
en Kana bereidt zich daar voor op het steekspel. Over zijn
modern T-shirt drapeert hij een prachtige "kain",
een doek van ikat. Over zijn short hangt een zeer kleurrijk
kleed en om zijn hoofd drapeert hij een lange doek. Dan komt
zijn vader hem zijn paard brengen. Een sterk paard dat iets
kleiner is dan bij ons. Ook het hoofd van het paard wordt
versierd. Het is een ijzerdraadconstructie met lang, blond
kunsthaar zodat het paard er angstaanjagend uitziet. Een zadel
is er niet bij. De ruiter zit ongezadeld. Slechts wat leidsels
van touw aan het hoofd van het paard, die dus niet aan een
bit vastzitten, geven hem wat houvast. De sterke benen van
de ruiter zullen zich strak om de buik van het paard moeten
sluiten wil hij niet tijdens het werpen van de speren van
zijn rijdier afvallen. En zo opgesmukt verlaat Kana met zijn
paard het dorp na een korte ceremonie onder leiding van zijn
ouders. Een afscheid voor een paar uur of voor eeuwig. De
vooroudergeesten zullen daarover vandaag beschikken.
Het is niet gemakkelijk om de zeer smalle voetpaadjes langs
de sawavelden met droge voeten te volgen en ze niet tegelijkertijd
stuk te trappen. Kana is met zijn paard achterom gegaan. Die
kan helemaal niet over de dijkjes heen. We treffen elkaar
weer onderaan de heuvel vlakbij de hut, waar nog steeds mijn
fiets geparkeerd staat. Die kreeg ik gisteren natuurlijk niet
via deze dijkpaadjes de heuvel op. Wat zou ik trouwens aan
mijn fiets hebben gehad in Desa Puli, een dorpje met een hoofdstraat
met een tiental grote monolieten midden op deze "straat"
en omzoomd door een 20-tal hutten? In één van
de hutten woon ik tijdelijk. Niet binnen, dat is voor de autochtonen.
Ik slaap op het bordes, dat aan het huis vastgemaakt is en
uit bamboestokken bestaat. Erop ligt een slaapmat maar vandaag
voel ik nog steeds de "golfjes" in mijn rug van
de bamboevloer. De mat was toch iets te dun voor mij.
Kana vraagt mij niet verder met hem mee te lopen. Het zou
gevaarlijk kunnen worden. Ik ga onder een grote boom zitten
en heb een prachtig uitzicht op een binnenzeetje, een zandbank
en een soort duin. Deze onttrekt mijn oog praktisch aan de
zee. Op het duin staan meer "Kana's". Allemaal zoons
uit verschillende kleine dorpen in de buurt, die hun krachten
gaan meten onder controle van de marapu, de vooroudergeesten.
Een priester, een prachtige rode doek met punt op het hoofd
gedrapeerd, heeft net de nyale "gelezen". Deze bijzondere
zeewormpjes werpen in de paartijd hun geslachtsrijpe delen
af die dan naar de oppervlakte van de zee komen drijven. Een
teken van de geesten. De priester leest er de toekomst uit,
anderen eten ze op. Een plaatselijke lekkernij!
Na deze kleine ceremonie beginnen de jongens met hun anderhalf
meter lange stokken elkaar te plagen. Ze komen niet te dicht
bij elkaar. Een minimale afstand van een meter of tien moet
in acht worden genomen. Het moet wel sportief blijven. Doodsteken
mag niet, wel doodgooien!
Het lijkt eerst wat op puberaal kattenkwaad maar vanaf mijn
stek onder de boom zie ik al af en toe een knaap, die van
zijn paard "glijdt" en een nat pak haalt in het
binnenzeetje. Is iemand van zijn paard gevallen, dan mag hij
niet meer aangevallen worden. Slechts naar een man op een
paard mag gegooid worden.
Plotseling rennen wat omstanders, die met mij van de schaduw
van de boom genieten, weg. Ik weet niet wat er gebeurt. Pijlsnel
schiet er een speer langs mij heen. Hij scheert voorbij en
draait snel om zijn as. Met een enorme snelheid boort hij
zich in een zandheuvel achter mij. Waar komt die nu vandaan?
Ik neem aan dat het een verdwaalde pijl is maar ik moet dus
goed oppassen. Ik zit minstens vijftig meter van het schouwspel
af maar een geworpen speer bereikt dus minstens het dubbele.
Achter mij ontstaat gejoel. Ik neem aan dat het voor de werper
bedoeld is maar als de toeschouwers weer plaats nemen onder
"mijn" boom, schudden ze mij de hand. Mijn "marapu"
waren blijkbaar schuldenvrij! Ondanks de enorme afstandelijkheid
van de Sumbanees t.a.v. een buitenlander, krijg ik van een
man een zelfgemaakte sigaret aangeboden. Hij is drie maal
zo lang als het ons bekende rokertje en het sigarettenpapier
is in dit geval een dun blad van de lontarpalm. Het blad wordt
op drie plaatsen dichtgehouden door dunne geknoopte palmbladdraadjes.
Brandt er tijdens het roken bijna een draadje door dan wordt
het tijd het draadje te verschuiven. Wat ik precies rook is
mij onbekend maar het smaakt naar lontarpalmblad. Het is de
vraag of er niet meer lontarpalm in verwerkt zit dan tabak.
Dan komt een druipende knaap aanlopen met zijn paard aan
de leidsels. Het is Kana. Het is hem deze keer niet gelukt
op zijn paard te blijven zitten. Maar dit spel hier op de
zandbank is maar het voorspel van de Pasola. In zijn kielzog
komen de anderen aanlopen, de "gevallenen" hijsen
zich weer op hun rijdier en zo trekt een lange stoet van krijgers
en honderden toeschouwers over de weg naar het grote grasveld
bij het dorp Wanokaka, een kleine twee kilometer verderop.
Ik begeleid Kana, die nat maar fier op zijn paard zit. Hij
wil mij een lift geven op zijn paard maar anderen houden mij
tegen. Dat is tegen de regels. Ik loop dan wel verder. Was
ik nu maar op de fiets. Ik vrees dat er geen plaatsje meer
over is om het spektakel van dichtbij te kunnen zien met zo'n
lange rij toeschouwers. Voor en achter mij lopen minstens
honderd mensen. Toch voel ik mij vereerd. Ik ben de enige
toeschouwer die tussen de "strijders" loopt en zich
met hen onderhoud. Zijn er eigenlijk nog andere toeristen
aanwezig? Ik heb er nog geen gezien.
In Wanokaka aangekomen herken ik het grote grasveld waar
ik langsgekomen ben met mijn fiets van Waikabubak naar Desa
Puli. Het is groter dan ik me op de heenweg had voorgesteld.
Het grote aantal toeschouwers heeft dus plaats genoeg. En
zo ontstaat aan alle kanten van het strijdveld een dunne haag
van kijkers. Ik ga zitten waar iemand mij een plaats aanbiedt,
in de schaduw van één van de weinige bomen hier.
Een mooie plek. Ik zit dicht bij één van de
kampen. Links van mij groeperen zich rond de 20 jongens te
paard en allen hebben een stuk of drie speren in hun rechterhand.
Links houden zij de leidsels vast. Hun benen zitten strak
om de buik van het paard. Wat verder weg rechts zie ik hun
tegenstanders, die er niet veel anders uitzien dan de jongens
in mijn kamp.
Een priester schiet gebeden. Direct daarna vliegen de eerste
speren door de lucht. Eerst is het nog wat uitproberen maar
al snel wordt het menens. De omstanders, waaronder vele familieleden
van de vechters, bemoeien zich met het strijdtoneel en jutten
hun zoons op. De onzekere blikken op de gezichten van de jongens
worden serieuzer en hun krachten bundelen zich. Een groepje
van tien man te paard benadert de tegenstanders. Deze beantwoorden
de toenadering met een regen van speren. Snel wenden de rijders
hun paarden af en stuiven terug naar hun kamp. Anderen nemen
het van hun over en zo ontstaat een golfbeweging in het spel.
Toch zijn er "branie"-jongens, die zich uit de groep
losweken en er alleen opuit gaan. Dan wordt het echt gevaarlijk.
Alle speren van het andere kamp zijn op hem gericht. Het wordt
een directe run naar de tegenstanders en een zigzag run terug
naar zijn makkers.
Alles gaat goed totdat er een gewonde valt. Een speer heeft
zijn arm geraakt. Het is gelukkig niet zijn werparm, maar
toch. Zijn arm bloedt. Het is slechts een schaafwond en na
het omwikkelen met een doek beklimt de moedige strijder weer
zijn paard. Hij blijkt toch veel last van zijn arm te hebben.
Het paard luistert niet meer naar de opdrachten via de teugels
en al snel valt zijn berijder na de aanval van de anderen
op de grond. Het bloed komt door de lap stof heen. Het is
toch erger dan men dacht. De knaap wordt van het veld afgesleept
en het spel gaat in alle hevigheid door. Er heeft bloed gevloeid
en dat is het teken dat de "marapu", de vooroudergeesten
aanwezig zijn. De priester is druk doende om de andere vechters
op afstand te beschermen nu het echt serieus wordt.
Speren vliegen in het rond. Af en toe belandt een speer in
het publiek. Gelukkig deze keer niet te dicht bij mij. In
de hitte van de strijd zijn de strijders snel door hun speren
heen. Een gevallen speer mag niet en kan ook niet door de
krijgers opgeraapt worden. Daarvoor is een raper in dienst.
Deze rent voor zijn leven het strijdveld op, raapt ondertussen
zoveel mogelijk speren op en verdeelt ze onder de twee kampen.
De priester moet zeker deze raper bescherming bieden.
Het is nu een echte chaos. Het wordt zelfs gevaarlijk. Omstanders
zijn het niet eens met de loop van het spel en gaan zich op
het veld begeven. Daar kan de priester geen bescherming aan
verlenen. En raakt een bemoeizuchtige omstander gewond, dan
is het hek van de dam. Een speer van de tegenstanders van
zijn zoon is dwars door zijn dijbeen geschoten. Het is ongelofelijk
met wat een snelheid de speer, die een stompe punt heeft,
geworpen moet zijn. Dokters zijn hier echter niet in de buurt
zodat hij door familie afgevoerd wordt naar het kleine ziekenhuisje
in Waikabubak. De sfeer wordt er duidelijk niet beter op.
De mensen om mij heen, de strijders, allen worden agressiever
en de sfeer wordt echt grimmig. Ik voel mij niet meer veilig
hier. Ik zie nog wel een eindje verderop een paar blanke toeristen
zitten, de eersten sinds mijn verblijf hier in Centraal Sumba,
maar ook die staan op om het schouwspel te verlaten.
Alsof de "marapu" er om vragen begint het te regenen.
Het is hen nu ook wel genoeg en een koude regenbui zal de
gemoederen wat doen kalmeren. Mijn schaduwboom houdt in eerste
instantie de regendruppels tegen maar na een tijd loopt het
in stralen over mijn lijf. Fotograferen is er nu niet meer
bij. Ik vind het wel genoeg en trek mij terug. Met mij zijn
er slechts enkelen, die de weg naar huis aanvaarden. Ik loop
dan ook praktisch alleen de twee kilometer terug naar Desa
Puli. In de regen maar met prachtige vergezichten en beeldschone
luchten. Wat kan Sumba mooi zijn! Zelfs na een bloedig gevecht!
Gelukkig houdt de regen op voordat ik in mijn dorpje aankom.
Ik kijk nog even, voordat ik via de sawah-dijkjes de heuvel
weer beklim, of mijn fiets nog in de hut staat. Die heb ik
straks weer nodig om terug te rijden naar Waikabubak, een
kleine 20 km. Ik heb daar nog de hele middag voor. Rustig
aan dus, het is nog maar 12.00h.
In Desa Puli aangekomen tref ik in "mijn" huis
slechts de oude vader van mijn gastheer. Een andere aanwezige
is een oude oma in een andere hut. Voor de rest is het hier
totaal uitgestorven. Kana is dus nog niet uitgestreden. Ik
hoop dat het goed met hem gaat. Ik heb hem in het gevecht
niet echt moedig mee zien doen. De val in de vroege ochtend
op het strand zal zijn gevoel van eigenwaarde een flinke deuk
hebben bezorgd.
Nu de regen voorbij is brandt de felle zon weer. Het zweet
gutst uit mijn lijf nu ik mijn “hebben en houwen”
weer bij elkaar zoek. Mijn kooktoestelletje, waar ik gisteren
tot ieders verbazing als uit een tondeldoos vuur kreeg om
voor iedereen koffie te zetten, ligt nog onaangeroerd onder
de hut. Mijn "was" ligt nog keurig, alhoewel een
beetje vochtig door de regen, op de enorme monoliet van het
graf van één van de voorouders midden op de
"straat". Mijn fietstassen worden door "opa"
van binnen gehaald. Zo sta ik na een half uurtje de twee enige
aanwezigen in Desa Puli handen te schudden. Tot aan de voet
van de heuvel, een kleine 10 minuten later, staan ze me uit
te zwaaien.
Gelukkig is de deur van de hut, waarin mijn fiets staat,
niet afgesloten zodat ik mijn ijzeren ros van zijn slot kan
halen en kan optuigen. Ik word nog ter plekke uitgenodigd
door twee mooie en moderne Waikabubak-meisjes en hun twee
vrienden om wat met ze te drinken op hun picnic-plaats aan
het kleine riviertje dat daar in zee terecht komt. Ik dank
ze hartelijk want ik moet nog naar Waikabubak. Ze stellen
voor om mij na de picnic met de auto naar Waikabubak te brengen,
maar ja, de fiets..., die kan er niet in. Ik stel mijn kilometerteller
op nul, neem een flinke slok water en begin aan de terugtocht.
Na twee kilometer beland ik in een chaos. Ik had toch maar
een picnic moeten houden met die vier aan het riviertje. Het
Pasola-strijdtoneel is verdwenen maar honderden mensen vechten
om een plaats in een paar grote vrachtwagens. Iedereen, op
een paar buurtbewoners na, moet terug naar Waikabubak. En
er is nauwelijks verkeer op deze route. Mensen schreeuwen,
huilen, slaan en schoppen. Wat een toestanden! Opgehitst door
het Pasola-spektakel, de regenbui en nu weer de brandende
zon, zijn de mensen uitzinnig geworden nu ze merken dat ze
ook nog die twintig kilometer naar huis moeten lopen. En daar
moet ik met fiets en al door heen. Het kost me veel moeite.
Ik ontvang hier en daar een stoot, een klap en een duw maar
zonder kleerscheuren kom ik door het gedrang heen. Toch ben
ik er nog niet af. De weg is slecht en steil omhoog en vol
boze mensen. Uit frustratie gooien ze grote stenen en hele
bananenbomen op de weg om het de vrachtwagens, waarin ze geen
plaats konden vinden, zo lastig mogelijk te maken. Ik ben
de enige die daar ook last van heeft. Maar wie houdt er nu
rekening met een vreemde reiziger, die met de fiets op weg
is van Desa Puli naar Waikabubak op het eiland Sumba op 22
maart 1995?
De grote stenen kan ik redelijk eenvoudig ontwijken maar
om over de bananenbomen op de weg te kunnen zal ik steeds
mijn fiets moeten optillen. Niet echt prettig. Ook heb ik
mij op de heenweg niet goed gerealiseerd hoe steil de weg
van Waikabubak naar Desa Puli was. Natuurlijk moest ik op
de heenweg van een paar honderd meter boven de zeespiegel
naar de zee maar was waarschijnlijk door de prachtige omgeving
afgeleid. Nu is het geen pretje om over die kleine twintig
kilometer steil naar boven te moeten “klauteren”.
Vanwege de grote groepen mensen op de weg kan ik ook geen
snelheid houden en moet vaak genoeg mijn fiets de heuvel opduwen.
Een remkabel die nog breekt, maakt dit korte reisje niet echt
aangenaam. Ik vind gelukkig een klein zijpad waar ik in alle
rust de kabel kan vervangen.
Uiteindelijk kom ik in Waikabubak aan. Ik wil weer terug
naar mijn hotelletje vanwaar ik een paar dagen geleden ben
vertrokken, maar vanwege de Pasola zijn alle kamers vergeven.
Dat is jammer, zeker omdat ik erg moe ben. Een eindje verderop
is nog een redelijk goedkoop onderkomen, maar bij navraag
is ook deze "losmen" vol. Wat nu te doen? In Waingapu,
160 km ten oosten van Waikabubak, waar ik een aantal dagen
geleden was, hoorde ik van Nederlanders, die daar voor de
kerk werken, over een duur maar goed hotel in Waikabubak.
Dan ga ik dat hotel maar eens opzoeken.
Een half uur later zit ik na een heerlijke mandi relaxed
op een luie stoel voor mijn comfortabele hotelkamer met uitzicht
op een prachtige tropische tuin aan de koffie. Drie jongens
staan klaar om mijn bestellingen voor het diner te noteren,
om mij een tocht achterop een motorfiets naar afgelegen oorden
aan te bieden, om mij met een gehuurde auto naar wat verder
gelegen gebieden willen brengen en mij extra informatie over
Pasola, cultuur en natuur kunnen geven. Ik wil alles doen
wat zij vragen en alles nemen wat ze me te bieden hebben.
Als ik ook maar weer een paar dagen lekker alleen zonder mensen
om mij heen op mijn fiets Sumba kan ontdekken. Dat kan welzeker,
volgens hen.
“De drukste dag op Sumba hebben we weer gehad. Volgend
jaar wordt het vast nog drukker. Misschien komen er dan ook
wel wat meer toeristen!” Van mij hoeft dat helemaal
niet! Daar zit ik niet echt op te wachten hier op het eiland
Sumba, waar de tijd nog heeft stilgestaan.
Hoe lang zouden de marapu het hier nog voor het zeggen hebben?
Wie bepaalt dat trouwens De levenden bepalen dat. Of toch
de voorouders? Dat zal altijd de grote vraag blijven.
info@worldpictureservice.nl
www.WorldPictureService.nl
|