|
Indonesië: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
Nusakdale, een vergeten dorp op Roti
Indonesië reisverhaal: verslag van een reis door Indonesië
©1995 Frank van den Berge
Ik ben hier absoluut verkeerd. Ik sta stil met mijn fiets
midden op een smal, stenen pad op het eiland Roti. Ik was
van plan om voor het aanbreken van de nacht in Nusakdale aan
te komen. Ik geef nog net de moed niet op. Het is vreselijk
warm. Het zweet gutst van mijn lichaam. Mijn handdoek heeft
de functie van mijn zweetbandje overgenomen. Tegen deze bijna
ondraaglijke zweetpartij is een normale hoofdband niet meer
opgewassen. Het is dan ook rond 14.00h en in april is het
hier nauwelijks uit te houden van de hitte. De moessonregens
zijn ondertussen voorbij maar de lucht is nog praktisch volledig
verzadigd van het vocht. Een klamme warmtedeken hangt om mij
heen. Het is geen pretje om zo met volle bagage over dit heuvelachtige
eiland te fietsen. Er is zelfs geen kleine wolk, die de zon
even van mij scheidt. Mijn drie waterflessen zijn praktisch
leeg. Er is in geen velden of wegen een dorpje te zien. Ik
voel me overgeleverd aan de meedogenloze natuur hier op Roti,
een eiland ten zuidwesten van Timor.
Vanmorgen ben ik vroeg opgestaan in mijn eenvoudige "losmen"
in Kupang, de hoofdstad van Timor, op het zuidwestelijke punt
van dit grote eiland. Rond de klok van 9.00h heb ik de overvolle
ferry genomen om naar Roti te varen, vier uur gaans vanuit
Bolok, de 13 km. van Kupang gelegen haven. Gelukkig vind ik
op de boot een zitplaats in de schaduw. Niet alle passagiers
zijn zo gelukkig als ik. Velen hebben een doek om het hoofd
en hangen half buitenboord om enige koelte te zoeken. De zee
is als een spiegel. Er is geen zuchtje wind.
Op de pont heb ik mijn waterflessen al bijna helemaal leeggedronken,
maar in Pante Baru, het haventje op Roti, kan ik ze gelukkig
weer laten vullen met drinkwater. Ook de in Bolok gekochte
sinaasappelen en mandarijnen zijn op als ik op Roti aankom.
Wat staat mij te wachten op dit nauwelijks door toeristen
bezochte eiland? Een verkeerde keus? Tot nu toe heb ik nog
weinig de positieve kant van het fietsen op Roti kunnen meemaken.
Ik ben vanaf de aankomst rond 13.00h in Pante Baru geplaagd
door dorst, hitte en verlatenheid. Vanaf deze kleine haven
moet ik eerst van zeeniveau naar een plateau op zo'n honderd
meter boven de zeespiegel. Dat gaat meteen sterk hellend omhoog.
Bij het stijgen word ik ingehaald door tientallen auto's en
motoren, die met hun passagiers overgestoken zijn van Timor
naar Roti. Vrachtwagens, bussen, bemo's en motorfietsen spugen
tijdens het stijgen hun vuile gassen uit in mijn gezicht!
Wat een slechte entree!
Na de klim van een kleine 5 km. moet ik stoppen. Ik ben door
de uitlaatgassen zwart geworden op mijn totaal bezwete lichaam.
Gelukkig kan ik uit mijn nieuwe voorraad water een kop koffie
maken in een grasveld onder een boom. Alsof deze er voor mij
is neergezet! Met moeite neem ik na de korte stop afscheid
van deze rustplek. Ik moet nog flink wat kilometers maken
tot aan Nusakdale. Ik heb er tot zover 15 km. opzitten. De
asfaltweg was tot aan de grote kruising nog goed. Links en
rechts ging de goede weg verder, maar ik moest volgens mijn
informatie rechtdoor. Er bleef echter niet veel van de weg
over.
In Kupang, waar ik de laatste paar dagen heb doorgebracht,
heb ik van Ben, één van de jongens, die in mijn
hotel als manusje van alles werkt, de tip gekregen om eens
naar zijn geboortedorp te gaan, Nusakdale op Roti. Niemand
anders heeft daar nog van gehoord maar ik moet daar maar eens
heen. Misschien kan ik het toerisme daar wat promoten. Ben
is, denk ik, iets te positief over mijn fietsprestaties, die
ik de laatste 4 maanden in Indonesië heb gehad en waarover
ik hem verteld heb. Als je van Bali naar Timor kan fietsen,
dan kan je ook gemakkelijk in één dag van Kupang
naar Nusakdale, zo redeneerde hij. De weg erheen is nog niet
aangelegd maar dat zou voor mij geen punt zijn. Gewoon rechtdoor
van de ene kust van het eiland naar de andere. Een hotel is
er in zijn dorp ook nog niet maar ik zal vast en zeker een
slaapplaats kunnen vinden bij de Kepala Desa, het dorpshoofd.
Ik ben benieuwd en tevens nieuwsgierig geworden.
Daar sta ik dan, volledig uitgeput onder één
van de spaarzame bomen in dit gedeelte van Roti. De weg is
overgegaan in een stenen pad, waarover je je te voet of te
paard redelijk kan voortbewegen, maar met de fiets is het
een "crime". Scherpe stenen steken dwars door de
aarde heen. Links en rechts van dit spoor liggen rotsige grasvelden.
Het is heuvel op en heuvel af. Volgens Ben is Nusakdale een
dorpje aan zee. Ik zie al wel sinds een half uur een blauwe
vlakte ver voor mij, maar bereiken doe ik haar niet. Ik denk
er zelfs over om terug te gaan naar de kruising en daar links
of rechts af te slaan. Nusakdale wordt dan uit mijn plan geschrapt.
Wetende dat ik over een paar weken weer terug zal moeten zijn
in Kupang om vanaf daar het vliegtuig te nemen voor een weekje
Australië om Indonesië officieel te hebben verlaten
en om dan weer terug te komen, noopt mij toch naar Nusakdale
te rijden. Ik kan niet bij Ben aankomen met het verhaal dat
ik er niet in geslaagd ben zijn geboortedorp te bereiken.
Na wat overpeinzingen neem ik toch weer de fiets ter hand
en tracht zonder de banden aan flarden te rijden weer een
stukje dichterbij mijn doel te komen.
Na een paar kilometer eindigt het pad. Aan het eind staat
een hut in een tuin. Misschien is dit Nusakdale wel. Er is
evenwel niets te bespeuren van de zee. Ik zit dus fout. Misschien
heb ik toch ergens een verkeerde afslag genomen. Maar er waren
helemaal geen afslagen! Ik ben gewoon rechtdoor gereden, wat
ook niet anders kon! Ik zet mijn fiets tegen de bamboe afrastering
van de tuin met het hutje, ik neem mijn lege waterflessen
mee en klim over de lage entree van dit kleine wooncomplex.
Ik loop hardop mijn verontschuldigingen te uiten voor het
zomaar betreden van de tuin. Ik voel het als huisvredebreuk.
Gelukkig word ik tijdens het naderen van de hut vriendelijk
toegesproken door haar bewoners. Ik versta niet veel van hun
plaatselijk gesproken taal maar al snel wordt er iets in het
Bahasa Indonesia gezegd, de taal die ik enigszins machtig
ben. Je zult wel moeten als je van plan bent zes maanden met
de fiets over de Kleine Sunda-eilanden rond te reizen! Bij
het zien van mijn lege waterflessen wordt er meewarig met
de hoofden geschud. "Aduh, kasihan!" wat zoveel
betekent als "ach, wat zielig!" Natuurlijk hebben
ze voor mij drinkwater en er wordt me zelfs wat witte rijst
aangeboden. Alhoewel ik absoluut niet aan eten moet denken,
krijg ik de halve kokosnoot met de plakkerige witte rijst
leeg. Maar waar wil de eenzame reiziger eigenlijk heen? “U
bent vast verdwaald” Dat ben ik ook, leg ik hen uit.
Ik ben op weg naar Nusakdale maar dit is zeker niet de goede
weg. Ik verwacht een bevestigend antwoord te krijgen, maar
tot mijn stomme verbazing vertellen de bewoners van dit rieten
onderkomen mij, dat ik op de goede weg zit. Het is nog wel
twee uur gaans! “U heeft nog net tijd genoeg om dit
te voet af te leggen voordat het donker wordt”.
Ik leg deze lieve mensen uit dat ik voor de poort van hun
tuin mijn fiets heb staan. Die moeten ze natuurlijk eens van
dichtbij bekijken. Ze waren al verbaasd over het feit, dat
ik geen bagage bij me had. Tientallen ogen bewonderen mijn
ijzeren ros en vele handen bevoelen het zadel, de banden en
de fietsbel. Die doet het ook nog! Het klinkt wel heel anders
dan een Indonesische bel. Met volle flessen neem ik afscheid
van deze mensen en beloof de knappe dochter des huizes als
antwoord op haar vraag op de terugweg weer langs te komen.
Water en witte rijst zullen dan voor mij klaar staan. Jammer
genoeg heb ik door omstandigheden deze belofte niet waar kunnen
maken. Ik hoop, dat ze nu niet nog op me staat te wachten!
Haar arm wijst naar links. Daar ligt aan het einde van het
pad Nusakdale, aan de zee. Iedereen wenst me een goede reis.
Daar ga ik weer. Gelukkig ben ik wat bijgekomen van de tot
zo ver zeer vermoeiende tocht. Mijn doornatte handdoek is
ondertussen in de zon gedroogd. Hij doet weer waar hij voor
gemaakt is. Het pad wordt er niet beter op. Hoe is het mogelijk
dat er in Nusakdale mensen wonen? Hier kan toch niemand overheen?
Te voet misschien, maar ik zie niemand richting Nusakdale
lopen. Ik ben dus weer aan de goden overgeleverd. Water heb
ik gelukkig weer in overvloed, gegeten heb ik ook. Ik moet
er weer voor een tijdje tegen kunnen.
Het valt niet mee. Het pad is ondertussen zo slecht, dat
ik besluit om maar verder te lopen, de fiets aan de hand.
Dat is niet eenvoudig met dertig kilo bagage in mijn fietstassen.
Toch helpt de gedachte dat het slechts twee uur gaans is.
Plotseling is het pad verdwenen. Een brede rivier ligt voor
mij. Een brug is nergens te vinden. Logisch, want waarom zou
je er eentje bouwen als je toch alleen maar te voet het pad
kan volgen? Dan kan je ook wel de rivier door. Op fietsers
hebben ze hier blijkbaar niet gerekend. Wie fietst er trouwens
op Roti. Niemand toch?
Ik zet mijn ijzeren paard tegen een grote steen en waad op
blote voeten door de rivier. Dat doet pijn aan de voeten!
Zo kom ik dus nooit met fiets en al aan de overkant. Uit wanhoop
trek ik mijn halfhoge, leren schoenen weer aan en probeer
het opnieuw. Dat loopt lekkerder, maar de rivier is dieper
dan ik dacht. In het midden van deze stroom komt het water
komt tot aan mijn knieën. Dat betekent dat ik eerst mijn
fietstassen lopend naar de overkant moet brengen en dan mijn
fiets. Aan doorweekte bagage heb ik nu geen behoefte.
Een minuut of tien later sta ik met fiets en bagage aan de
andere kant van de rivier. Het enige dat doornat is, zijn
mijn schoenen. Soppend in mijn schoenen verder fietsen is
geen doen. Ik zal ze leeg moeten gooien en mijn sokken moeten
uitwringen. Wat heb ik eigenlijk in Nusakdale te zoeken? Ik
vraag het mij steeds af. Toch zal ik ergens de nacht moeten
doorbrengen en om hier zomaar in het niets te gaan liggen
is niet iets waar ik naar uitkijk. Van mensen zal ik zeker
geen last hebben. Ik heb sinds mijn water halen niemand meer
gezien. Maar ik zal doodgestoken worden door muggen, gebeten
worden door slangen en opgevreten worden door kruipend ongedierte.
Dat laat ik mij niet gebeuren en kruip verder over het pad
de volgende heuvel op.
Na een uur zwoegen kom ik bij een tweede rivier. Aan de overkant
zie ik een paar hutten staan. Dat zal Nusakdale zijn. Mijn
stille wens gaat niet in vervulling. Na het oversteken van
de rivier op dezelfde wijze als de eerste wordt mij verteld
dat het niet zo ver weg meer is. Op een vijf kilometer moet
ik toch nog wel rekenen! Uiteindelijk rijd ik, geheel uitgeput,
stapvoets de laatste heuvel af en kom terecht op een brede
zandweg. De zee kan niet ver weg zijn.
Ik ruik het zoute water! Uit het niets verschijnt een motorrijder.
Waar wil de vreemdeling op zijn fiets heen? Nusakdale is het
doel van vandaag. Hoe ver is het nog? Ik kan de motorfiets
volgen. Af en toe is hij uit het zicht verdwenen, maar het
vreselijke lawaai van dit knalpotloze vervoermiddel maakt
mij duidelijk dat we er nog niet zijn. Uiteindelijk hoor ik
de motorfiets afgezet worden. Na twee minuten zie ik hem staan.
Het zandpad loopt nu tussen wat hutten door.
Ik word gevraagd te stoppen en mij voor te stellen aan de
bewoners van één van de hutjes. Een eenvoudig
houten bord met het opschrift: "Mr. Ibrahim Oly, Kepala
Desa" geeft blijk van de woonplek van het dorpshoofd.
Snel blijkt, dat de heer Oly zelf niet thuis is, maar zijn
zoon Sem ontfermt zich over mij. Hij woont de hut naast die
van zijn vader. Ik ben nog geen twee minuten bij de woning
van Sem of rond de vijftig mannen, vrouwen en kinderen staan
in een grote cirkel om mij heen. Wie is deze fietser en wat
komt hij hier doen?
De naam Ben, de jongen uit mijn hotelletje in Kupang, doet
wonderen. Eerst mag ik bij een tegenover liggende hut, waar
in de tuin een grote bak met water staat, een "mandi"
nemen. Mijn fiets met alle bagage wordt tijdens mijn bad door
50 mensen tegelijkertijd bewaakt. Gelukkig is de wasplaats
afgeschermd met wat verroeste golfplaten. Ik maak uitgebreid
gebruik van deze luxe en opgefrist kom ik me weer bij de omstanders
melden. Nu nog een slaapplaats. In het huis van Sem wordt
een kamer voor mij vrijgemaakt. Ondertussen moet ik maar even
plaats nemen in de tuin van mijn onderkomen. Ergens wordt
een stoel vandaan gehaald. Ik kan er lekker bij gaan zitten.
Vijftig mensen staan nu in een grote cirkel om mij heen. Ik
voel mij enigszins opgelaten.
Niemand spreekt een woord Engels en de Bahasa-taal is men
over het algemeen ook niet machtig. Met handen en voeten probeer
ik ze uit te leggen wat ik hier eigenlijk kom doen. Na een
paar glazen lauw water krijg ik een bierglas koffie aangeboden.
Dat doet een mens goed. Eigenlijk ben ik doodop. Toch wordt
mij na de koffie gevraagd mee te gaan naar het strand. Met
mijn totale gevolg kom ik na vijf minuten lopen aan op een
prachtig strand. Het is eb en grote delen van het koraal liggen
nu droog. Enorme rotsblokken staan als reuzenpaddestoelen
in het zand. Een surrealistisch schilderij. De laatste zonnestralen
beschijnen deze bijzondere rotsformaties op een prachtig strand,
omzoomd door kokospalmen. Mooier kan een reiziger zich niet
wensen, maar ik heb daar nu helemaal geen oog voor. De mensen
doen hun best mij de mooiste plekjes te laten zien. Als ik
probeer om in het schaarse licht wat foto`s te nemen, staan
er vijftig mensen voor mijn lens. Hoe ik ook wend of keer,
ik kan geen foto nemen zonder alle inwoners van Nusakdale.
Hoe kan ik dit dorp nu voor toerisme promoten? Niet veel buitenlanders
zijn op zo veel aandacht gesteld!
Nu het te donker is geworden voor plaatjes word ik gewenkt
om terug te gaan naar mijn onderdak. Mijn kamer zal nu wel
in orde zijn. Onder begeleiding bekijk ik mijn slaapplaats.
Een eenvoudige kamer in deze half stenen-, half rieten hut
met openslaande ramen, een hemelbed met muskietennet en een
nachtkastje. Aan de muur hangen nog wat hemden en broeken
van de rechtmatige eigenaar. In de hoek ligt een nest met
jonge poezen en er is geen elektrisch licht. Alles wordt beschenen
door een stompje kaars. Heel idyllisch allemaal, maar ik voel
me toch niet echt thuis. Mijn fiets wordt de woonkamer ingezeuld
en na een kwartier zit ik weer buiten om bij een gaslamp de
aanwezigen te vermaken met mijn aanwezigheid. Er zijn nu nog
25 mensen over die mij in de gaslampstralen van top tot teen
bekijken. "Wat bent u toch mooi wit. Mag ik eens aan
uw benen voelen? Een baard! Hoe voelt dat?" En zo word
ik geïnspecteerd.
Ondertussen heb ik al vier koppen koffie op en na een tijdje
word ik door Sem gevraagd om gezamenlijk te gaan eten. Tien
mensen gaan met mij naar binnen. Dat blijkt de complete familie
te zijn, die hier in de hut woont. De andere vijftien mensen
geven het nu op. Het is dan ook al 20.00h!
Gezamenlijk eten blijkt alleen met Sem te zijn. Alle anderen
moeten wachten tot wij uitgegeten zijn. Witte rijst, gekookte
mie en zelfs stukjes kip worden op tafel gezet. Mijn gastheer
schept drie keer op, terwijl ik rekening houd met het feit
dat de andere familieleden niets anders te eten krijgen dan
wat wij voor ze overlaten. Eén maal opscheppen is voor
mij echt wel genoeg. Weer staat er een bierglas koffie voor
mij klaar. Ik kan geen koffie meer zien, maar ik heb wel in
Indonesië afgeleerd om deze vreselijk lieve mensen teleur
te stellen door te weigeren. Ik ben bang de eerste nachten
geen oog dicht te kunnen doen. Toch blijkt dat wel mee te
vallen. Na me nog tot laat met mijn gastgezin onderhouden
te hebben, waarvan de vrouwen steeds het huis verlaten als
ik vanuit de tuin de hut binnenkom, kan ik niet meer. Gelukkig
is dat aan mij te zien. Er wordt mij gevraagd of ik misschien
wil slapen. Ik beken erg moe te zijn. Ik was er vanmorgen
in Kupang al rond een uur of 6 uit! Toch heb ik vandaag maar
34 kilometer gefietst!
Met behulp van mijn stompje kaars weet ik mijn bed met baldakijn
te vinden. Ondanks de hitte kruip ik tussen de twee lakens,
die net zoals het te korte matras, vreselijk naar schimmel
stinken. De openslaande raampjes doe ik half dicht tegen het
volle maanlicht. Lig ik eenmaal in mijn bed na het uitblazen
van de kaars dan word ik het eerste uur verrast door een paar
inwoners van het dorp. Ze maken zich waarschijnlijk zorgen
over mijn nachtrust. Een aantal keren worden van buiten de
raampjes geopend en met een scherp zaklantaarnlicht wordt
er op mijn gezicht geschenen. Even kijken of de vreemdeling
al slaapt. Het eerste uur kan ik daardoor geen oog dicht doen.
Elke keer schrik ik van het scherpe schijnsel in mijn ogen.
Mag ik nu gaan slapen? Rond een uur of elf is het stil in
en rond het huisje. Iedereen heeft zijn bed opgezocht, vele
uren later dan gewoonlijk. Maar het is dan ook feest in het
dorp. Er is bezoek uit een heel ver land.
Ondanks het stinkende bed, het te korte matras en de diverse
zaklantaarnbeschijningen ben ik fris en uitgeslapen als de
zon rond een uur of zes door mijn geheel geopende klapvensters
schijnt. Ik kan nu zien waar ik eigenlijk geslapen heb. Het
kamertje ziet er armoedig uit. In de lakens zitten gaten en
ook de kleren van de rechtmatige eigenaar zijn niet meer wat
ze geweest zijn. Het muskietennet zal ook snel eens vervangen
moeten worden. Met zo'n net kan je net zo goed zonder slapen.
Ik word door iemand, die buiten staat de weg gewezen naar
de wasplaats en het toilet. Een betonnen vloertje met een
gat er in, een half gevulde emmer ernaast en in de bamboemuur
er omheen steekt een grote scherf spiegelglas. Opvallend is
het stukje zeep dat uitnodigend ligt te wachten om gebruikt
te worden. Alhoewel de muur van dit kleine optrekje niet geheel
kijkdicht is, was ik mij helemaal met die paar liter water
uit de emmer. Een paar jongetjes kunnen de verleiding niet
weerstaan mij tussen het bamboe door te bestuderen. Sem stuurt
ze weg en roept mij voor het ontbijt. Blijkbaar hadden de
andere familieleden gisteravond nog niet alles opgegeten.
De restjes krijgen Sem en ik als ontbijt. Een groot glas koffie
staat er bij. In de tuin wachten de andere dorpsbewoners tot
ik mij weer buiten waag. In een lange rij lopen wij opnieuw
naar het dichtbij gelegen strand.
De zee heeft zich minder ver teruggetrokken dan gisteravond.
De voeten van de enorme steenpaddestoelen worden nu door de
golven verder uitgesleten. Ik verwacht dat ze binnen een tiental
jaren zullen omvallen. In de ochtendzon is het hier een paradijsstrand.
Tot aan de einder zie ik links en rechts een prachtige baai,
een spierwit strand en een dikke rij palmen. Moet hier in
de toekomst een toeristenoord van gemaakt worden? Het is de
grote wens van Ben, van Sem en van zijn vader Ibrahim, de
Kepala Desa. Ik heb zo mijn twijfels. De enkele vissershut
die er staat zal dan ruimte moeten maken voor een paar blokken
wit beton, waarin de toerist zich zal vermaken in zijn eigen
gecreëerde westerse wereld. Het zal zo`n vaart niet lopen
gezien de toegangsweg tot dit kleine paradijs, zoals ik gisteren
aan den lijve heb kunnen ondervinden. Maar elke toerist of
reiziger zal een stukje van dit Elam vernietigen zonder dat
hij erbij stilstaat. Eerst de rugzakreiziger, dan de touroperator.
Je kan het bijna niet tegenhouden.
Met de totale Nusakdale-bevolking achter mij aan leidt Sem
mij langs de vloedlijn. We kunnen niet over het strand lopen
vanwege de golfslag. We moeten over de rotsige kustlijn klimmen.
Ik heb moeite niet te vallen en ik moet oppassen niet mijn
benen open te halen aan dit ruwe koraalgesteente. Ik zie hoe
zelfs de oudste inwoners blootsvoets van de ene scherpe rots
naar de andere springen. Ik voel mij een kruk. Ik houd dan
ook de hele groep op. Ze hebben veel plezier met mijn voorzichtigheid.
Gelukkig last Sem een kleine pauze in. Al eerder heb ik iemand
zich van onze groep zien losmaken en zien verdwijnen in het
kokosnotenbos aan het strand. Tijdens onze rust worden dan
ook een paar kokosnoten opengeslagen. Het water van deze jonge
vruchten is weer eens wat anders dan een glas koffie. Van
de bast van de kokosnoot wordt een splinter geslagen en daarmee
kan ik het kokosvlees uit de noot schrapen. Alle vier de noten
zijn voor mij bedoeld maar ik ben na één noot
vol. Sem en de ouderen uit de groep delen onderling de andere
noten.
Alhoewel de groep zich klaarmaakt voor een flinke wandeling
over de scherpe rotsen voel ik hier weinig voor. De uitzichten
worden er niet beter op en ik ben bang mijn enkels te verzwikken.
Fietsen is er in dat geval voor de eerste week niet bij. Ook
ben ik van plan om het dorpje vandaag te verlaten en via dezelfde
weg terug te keren tot aan de asfaltkruising. Daar zal ik
dan rechts afslaan om uiteindelijk in Papela aan te komen,
mijn volgende reisdoel. Het is vreselijk lastig deze mensen
mijn plan duidelijk te maken. Waarom wil de vreemdeling ons
zo snel weer verlaten? Wij plezieren hem toch? Waarom wil
hij niet nog een week in Nusakdale blijven? Kost en inwoning
zijn toch verzorgd?
Er is een groot strand voor hem alleen. Dat is toch wat de
reiziger zich wenst? Iedereen klaagt over de volle stranden
op Bali en nu iemand een strand voor zich alleen heeft, is
hij weer niet tevreden? Het is allemaal waar wat deze mensen
me duidelijk proberen te maken, maar zij vergeten dat ik het
strand niet voor mij alleen heb. Ik heb hier niets alleen.
Ik ben hier nooit alleen! Ik heb hier constant vijftig autochtonen
om mij heen, die natuurlijk niet begrijpen dat een toerist
het soms wat lastig vindt als er een haag van mensen apathisch
naar hem staat te kijken. Natuurlijk ben ik gast en ik zal
mij moeten schikken naar de plaatselijke regels, maar de uitdrukking:
"Zielig is de mens, die alleen staat", gaat bij
Europeanen niet altijd op. Het groepsgedrag in Indonesië
is het gevolg van het idee dat iemand die alleen is, medelijden
opwekt. Je ziet dan ook bijna nooit een Indonesiër alleen.
Je bent een verloren persoon als je alleen bent. Een toerist
alleen wordt dan ook vaak "besprongen" door de autochtonen.
Ten eerste is het zeer interessant een blanke eens van dichtbij
te kunnen bekijken. Ten tweede kan je je enorm met zo iemand
vermaken.
Dit alles onder de noemer van het gemeenschapsgevoel. Je
gaat je toch niet als Indonesiër afvragen of de toerist
dat wel of niet leuk vindt? Ik heb het er al vaak met veel
Indonesiërs over gehad tijdens mijn reizen door dit prachtige
en bijzondere land. Ze zeggen het te begrijpen, maar in de
praktijk komt er weinig van terecht. De eerste groepen toeristen
zijn om bekeken te worden, de volgende groepen zijn om aan
te verkopen. Wat is daar nu mis aan? Waar kan je nu eens lekker
in je eentje van de natuur en cultuur van Indonesië genieten
als de bewoners van het land er zo`n totaal andere mening
op na houden? Samen is toch veel gezelliger? Dat is de grote
dobber waar Indonesië op drijft, de gemeenschapszin.
Tussen Indonesiërs onderling functioneert dat uitstekend.
Wat zullen zij zich totaal verloren voelen als zij eens een
paar dagen in Nederland zouden rondlopen! Wat een individualisten
overal!
Om Sem en zijn familie niet te erg voor het hoofd te stoten
houd ik het erop een afspraak te hebben met een vriend van
mij in Papela vandaag. De wandeling wordt dan ook kort en
we keren terug naar de hut. De vrouw van Sem heb ik gemist
in de groep. Zij heeft ondertussen eten klaargemaakt voor
de eenzame reiziger.
Na de witte rijst met stukjes kip neem ik afscheid van de
mensen van Nusakdale. Dat gaat evenwel niet eenvoudig. Zeker
als ik voorstel om de familie Oly te betalen voor mijn verblijf
hier. Ik blijk Sem hiermee enorm te beledigen, maar hij houdt
zijn boosheid voor zich. Een Indonesiër toont niet gemakkelijk
zijn emoties. Ik voel mij klein worden. Toch komt de oplossing
van zelf. Gastvrijheid staat bovenaan, dat is heilig en daaraan
mag nooit getwijfeld worden. Ik schud dan ook bijna vijftig
handen en vraag vriendelijk de kortste weg naar Papela. Op
een stukje papier worden wat lijnen getekend. Niet dezelfde
weg terug, maar nu langs de kust naar boven tot de weg landinwaarts
loopt. Een kleine 15 km. voor Papela kom ik dan op het asfalt
en vervolg dan mijn weg rechtsaf naar het havendorpje.
Voor deze gegevens kan ik ook niet betalen maar ik kan ze
daarvoor wel een dienst bewijzen. De grootste wens van de
familie Oly is het hebben van wat foto's van hen voor hun
hutje. Daaraan kan gelukkig ik met veel plezier voldoen. Er
wordt een aantal statieportretten gemaakt en de belofte om
ze op te sturen wordt met een handdruk bezegeld. Ze zijn zichtbaar
tevreden. Heel erg tevreden zo te zien want na de statische
houdingen tijdens het fotograferen dansen de mensen in hun
tuin rond. Nogmaals worden vele handen geschud en voor onderweg
krijg ik nog wat te eten en te drinken mee: Een bananenblad
gevuld met rijst en kip en een waterfles met hete koffie.
De twee andere flessen zijn al vol met drinkwater.
Voordat ik Nusakdale verlaat moet ik nog een soort ereronde
door het dorp maken. Niemand is thuis want ze staan me allemaal
in een grote groep uit ze zwaaien. Wel valt me nog een eenvoudig
kerkje in het dorp op. Met grote letters staat er "Pentakosta"
op gekalkt, de Pinkstergemeente. Er wonen vijftig aanhangers
van deze geloofsrichting in het dorp, al de Nusakdalers. Zouden
de zendelingen hier het zelfde opgelaten gevoel hebben gehad
als ik bij hun komst in Nusakdale?
Ik vervolg mijn weg en het gelukkige gevoel toch in Nusakdale
te zijn geweest bij deze lieve mensen maakt mijn vreselijk
moeilijke tocht door rivieren, door oerwoud, over grote steenblokken,
door moddervelden en over een zeer slecht begaanbaar pad in
de bloedhitte tot een waar genoegen. Zou ik er ooit weer eens
komen? Je weet maar nooit!
info@worldpictureservice.nl
www.WorldPictureService.nl
|