Vietnam: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië

Varkensoren nabij de grens met Laos

Vietnam reisverhaal: verslag van een reis door Vietnam

(Tekst: Jan Peter Wouters)

deel 2/2

Gemeenschappelijk toilet

Een wc in een eetgelegenheid of café is in Vietnam niet vanzelfsprekend. Links en rechts informeer ik naar een ve sinh, maar niemand schijnt te weten waar een toilet is. Een van de bushulpen komt mij opzoeken en weet wel een wc te vinden. Glibberend door de drek lopen wij over de markt. Hij grijpt mijn hand en verzekert zich ervan dat hij door iedereen wordt gezien met deze vreemdeling. Boven een steile helling is een betonnen gebouwtje neergezet dat tot gemeenschappelijk toilet dient. Een snijdende amoniaklucht ontneemt mij de lust tot ademen. Op de zwarte toiletpot straalt een helderrode druppel menstruatiebloed mij oogverblindend tegemoet. De wikkel van de tampon in het met algen begroeide afvoergat doet ongewoon modern aan in dit middeleeuws gehucht.

De bushulp grijpt weer mijn hand beet en samen lopen wij tergend langzaam over de markt terug. Ik troost mijzelf met de gedachte dat zolang ik aan zijn hand loop de bus niet zonder mij vertrekt. Ik hurk weer bij de televisie neer en houd vanuit mijn ooghoeken de bus in de gaten. Maar ondanks de stiptheid van het Vietnamese openbaar vervoer gebeurt er niets. Langzaam maar zeker dringt het tot mij door dat de bus pas om een uur 's nachts zal vertrekken. Meer dan twaalf uur moet ik in dit verstikkende dorp doorbrengen en lijdzaam de opdringerigheid van de plaatselijke jeugd verduren. Paniek maakt zich van mij meester. Ik moet hier weg, maakt niet uit hoe, als het maar zo snel mogelijk is.

Moeizaam probeer ik duidelijk te maken dat ik naar Do Luong wil. Dat is slechts 120 kilometer en op de motor moet die afstand toch in vier tot vijf uur af te leggen zijn? Er wordt instemmend geknikt en een van de jongens verdwijnt om een motor te lenen. Na een uur is de jongen nog steeds niet terug. De bushulp nodigt mij uit om in de bus plaats te nemen. Hij haalt een paar zittingen van de banken af en legt die naast elkaar op de motorbak voor in de bus. Hij rolt een rietenmat over de zittingen uit en gebaart dat ik moet gaan liggen. Hij knoopt zijn vervuilde overhemd los en gaat languit in de chauffeursstoel liggen en legt zijn benen over het stuur. Noodgedwongen leg ik mij bij de situatie neer en al snel dommel ik in.

Bushulpen

Na anderhalf uur worden wij ruw uit onze slaap gerukt door een van de andere bushulpen en de chauffeur. De bus wordt gestart en opnieuw daal ik af in de richting van Laos. Op een erf langs de weg wordt de bus gekeerd en in de berm geparkeerd. Er wordt een waterslang uit de boom langs de weg getrokken en een kraan opengedraaid. Ik word uitgenodigd om in het huis aan het erf thee te drinken en voorgesteld aan een van de twee chauffeurs die vannacht de bus besturen.

De hulpen wassen de bus van binnen en van buiten. De modder op de flanken wordt met een vod en veel water weggepoetst. Water gutst door het bagageruim onder in de bus en spoelt het vuil door het geopende achterluik naar buiten. Dan stapt de hulp met de slang in de aanslag in de bus. Het afval dat tijdens de bustocht achteloos op de houten vloer is gesmeten, spoelt in een brede stroom uit het achterluik. Tot slot wordt de extra watertank op het dak boven de chauffeur tot de rand toe gevuld. De bushulp trekt mij aan mijn arm naar de achterkant van het huis. Op een betonnen vloertje laat hij het water uit de slang over zich heen lopen en richt de straal kort in zijn shorts. Dan is het mijn beurt en met een gore, natte handdoek veeg ik daarna het meeste water van mijn huid. De hulp drukt de vrouw des huizes wat geld in handen en met z'n allen rijden wij weer helling opwaarts. Wij hervatten ons middagdutje en daarna is het tijd voor het avondmaal.

Met de voltallige bemanning zit ik rond de tafel; twee chauffeurs en vier hulpen. Een fles rijstwijn en enkele schalen met lauw eten worden voor ons neergezet. Inmiddels ben ik door de groep geadopteerd en bezorgd wordt mij uitgelegd hoe ik het een en ander met elkaar moet combineren. De groenten en het rundvlees in bouillon ken ik al, maar de bleke schijfjes met een donkerbruine kern heb ik nog niet eerder gezien. De vierkante bushulp, Hai, neemt een schijfje tussen zijn eetstokjes, doopt dat in de nuoc mam en legt het in mijn eetkom. Na enige bestudering valt het muntje: varkensoren. Ik kauw kort en probeer het aftasten van het gekookte kraakbeen met mijn tong zoveel mogelijk te beperken. De smaak is neutraal maar de ruwe huid van de oorschelp is weerzinwekkend. Warm en zacht zou het nog wel gaan, maar nu is het huidvet gestold en het kraakbeen stug. Vanuit mijn ooghoeken houd ik in de gaten of de chauffeurs ook van de 'wijn' drinken, maar zij beperken zich tot een glaasje. De hulpen stellen tevreden vast dat ik met eetstokjes even snel kan eten als zij. Alleen de gefrituurde vis krijg ik met de stokjes niet van de graten af. Hai neemt mijn eetkom over en pulkt wat vis los.

Aantrekkingskracht

Na de maaltijd lopen wij naar de bus om te slapen. Even strek ik mij ook uit, maar het is nog te vroeg. Ik sluip de bus uit en loop naar het restaurant aan het plein. Ik bestel een blikje bier en leg mijn schrijfblok op tafel. Onder zijn schouderloos hemd draagt de eigenaar een strak zittend voetbalbroekje. Hij speelt met zijn kinderen, maakt tai chi bewegingen die zij giechelend imiteren. Door de armsgaten omlaag te trekken toont hij de kinderen een voor een zijn vette borsten en keert hen dan heupwiegend zijn kont toe. Hij kan hun aandacht maar even vasthouden en dan keren zij zich naar mij om.

Zij voegen zich bij de drommen kinderen die om mij heen staan en om het hardst om mijn aandacht schreeuwen. Ik ben interessant, maar ook griezelig. Ik oefen aantrekkingskracht uit, maar als ik te dichtbij kom deinzen de kinderen geschrokken terug. De kolossale man spert zijn ogen open en jaagt de kinderen weg. Maar al snel zijn zij weer terug. Weer zet hij grote ogen op en pakt een van zijn hakmessen. Hij is een vriendelijke lobbes die de kinderen vermaakt met zijn toneelspel. De kinderen staan dan ook in een mum van tijd weer in drommen om mij heen. Als blijkt dat zij meer aandacht voor mij hebben dan voor zijn flauwe grappen zet hij opnieuw grote ogen op en richt het woord tot mij. Ik moet mijn biertje oppakken en die maar opdrinken bij mijn vrienden in de bus. Zonder hem aan te kijken of nog iets te zeggen drink ik mijn blikje leeg.

Ik steek de straat over en neem plaats aan een lange tafel in het tegenoverliggende restaurant. Ook hier kom ik niet aan schrijven toe. Kinderen verdringen elkaar om mijn aandacht. Van een meisje krijg ik de Vietnamese ster, gesneden uit de schil van een grapefruit en op een stukje ijzerdraad gestoken. Als ik iets niet begrijp, khong hiew, wordt het geduldig in sierlijke letters voor mij opgeschreven. De kinderen spreken de woorden nadrukkelijker uit en hebben een groter taalbegrip dan hun ouders, waardoor ik makkelijker met hen kan communiceren. Ook gebaren en schetsen in mijn schrijfblok doorgronden zij sneller dan de volwassenen. Wijzend op de klok vertellen zij dat ik moet gaan slapen, want opblijven is niet goed voor ong. Maar meneer is niet moe en wil het ongemakkelijke slapen in de hete bus zo lang mogelijk uitstellen.

Varkenskot

Tegen de achtergevel van het restaurant is het varkenskot gebouwd. De etensresten van de klanten worden in aluminium schalen verzameld en aan de varkens gevoerd. Op zekere dag zullen de varkens zelf worden opgediend en van staart tot oren worden opgepeuzeld. Wat in de eetkommen achterblijft, wordt de volgende generatie voorgeschoteld. Niets vermoedend liggen de varkens uitgestrekt te snurken in een brandschoon kot. Het mensenkot waar ik naar op weg was, is minder schoon en niet overdekt. Koele regendruppels spatten op mijn nek uiteen, terwijl ik strak naar de grond kijk om nergens in te stappen of over te struikelen.

Wanneer de laatste gasten het restaurant verlaten reken ik af. Over de modderige straatweg zoek ik een min of meer droog pad naar de bus. In enkele huizen brandt nog licht. De albinovrouw die ik vanmiddag over de markt zag lopen snijdt een waterpijp uit bamboe. Haar dikke witte vlecht heeft zij voor de nacht uitgekamd. Het witte haar omlijst haar roodverbrande gezicht. Haar blik is naar binnen gekeerd. In dit dorp is geen plaats voor fijnzinnigheid. Wie afwijkt van de rest is gedoemd tot bron van vermaak en eenzaamheid.

In de bus hangt een zware geur van zes zwetende lijven en slechte adem. Een tandenborstel en tandpasta zijn luxe artikelen. De verzorging van het gebit beperkt zich tot het verwijderen van etensresten met een uit bamboe gesneden tandenstoker. Na iedere maaltijd komt onherroepelijk het busje met smalle houtjes op tafel. De fijnproevers ruiken af en toe aan het houtje om zich ervan te vergewissen of de resten van vandaag of gisteren zijn.

Scherpe geuren

Stilletjes strek ik mij uit op de uiterste rand van de rietenmat op de motorbak. De bushulp draait zich slaperig om en slaat een arm en been om mij heen. Behaaglijk wrijft hij zijn kruis tegen mijn heup en zinkt weer diep in slaap. Even zak ik weg, maar dan dringen scherpe geuren mijn neus binnen. De bushulp stinkt naar putwater, oud zweet en urine. Bij iedere ademtocht drijft een walm van verrot vlees uit zijn mond. De warmte die zijn arm en been uitstralen is ondraaglijk. Over lijven en benen heen stappend zoek ik een andere slaapplaats. Ik ga dwars liggen, met mijn torso op de driezitsbank links en met mijn kuiten op de tweezitsbank rechts van het gangpad. Met mijn lengte besla ik bijna de gehele breedte van de bus. Op deze koele en frisse plaats val ik meteen in slaap.

Door het starten van de bus ontwaak ik, maar het trillen en stampen van de motor wiegt mij weer in slaap. Halverwege de nacht word ik wakker geschud. Ik moet mijn schoenen en fles mineraal water van de vloer oppakken. Het achterluik wordt geopend en onder luid geschreeuw worden drie hardhouten balken onder de banken door geschoven. Daarna vervolgen wij slingerend en bonkend onze reis door de nacht.

De volgende ochtend tijdens het uitladen van de balken blijkt er op het dak een nog grotere partij hout te liggen. Het hout wordt achteloos langs de kant van de weg gesmeten. De partij is groot genoeg voor een chique wandmeubel en zes armstoelen. De bus druppelt leeg. Vrouwen worden met hun koopwaar in de verschillende dorpen langs weg nummer 8 afgezet. De bus mindert vaart en haastig worden de balen uit het bagageruim getrokken. 's Nachts duurt de bustocht anderhalf uur langer dan overdag. Om kwart over negen sta ik weer op het dampende asfalt van het busstation van Vinh en herinner mij de uitspraak van Peter Sirius: 'Having been somewhere makes some people happier than actually being there.'

 

naar de website van Jan Peter Wouters voor meer verhalen en info over Vietnam

 

 

     

 

 

 

 


 

 

Google