Vietnam: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië

Varkensoren nabij de grens met Laos

Vietnam reisverhaal: verslag van een reis door Vietnam

(Tekst: Jan Peter Wouters)

deel 1/2

De eetkraampjes voor het busstation van Vinh baden in het kunstlicht. Het is vier uur in de ochtend, maar sommigen laten zich daardoor niet van hun ontbijt weerhouden. De vroege gasten kauwen traag op hun mie en staren glazig voor zich uit. Wie nog geen klanten heeft, blijft uitgestrekt op de houten bank achter de kraam liggen, - de dag duurt nog lang genoeg.

Het asfalt dampt van de zojuist gevallen regen. De waterdamp mengt zich met de zware dieselgassen van de warmdraaiende bussen. Zuchtend en geeuwend nemen de passagiers plaats in de donkere bus. Ik lees het nummer op mijn ticket en vergelijk die met de nummerborden op de bussen. Mijn bus staat hoog op de wielen en heeft daardoor iets weg van een reusachtige kakkerlak. De bushulpen willen mij allemaal tegelijk helpen en ik kom oren en ogen te kort om hun aanwijzingen te volgen. Ik zit nog maar net op mijn plaats of het begint weer te miezeren. Exact op de afgesproken tijd zet de bus zich in beweging.

Eerst volgen wij snelweg nummer 1 in noordelijke richting. De zon komt boven zee op en zet het dichte wolkendek in brand. Bij Dien Chau verlaten wij de snelweg langs de kust en rijden landinwaarts over weg nummer 7 naar de grens met Laos. Het landschap verandert plotseling van kleur. De bergen en vlakten zijn vuurrood. De rijst staat in helderrood water, het vocht dat vanuit de grond in de muren van de huizen opkruipt, kleurt de gevels langs de bodem rood. Zelfs de waterbuffels die in de rijstvelden ploeteren zijn rood gekleurd.

Het moeten deze waterbuffels zijn geweest die de schilder Ha Tri Hieu in De vleugels van Lieu Hanh van Michel Maas hebben geïnspireerd tot het schilderen van bloedrode buffels. Zelf geeft de schilder als uitleg bij zijn buffels 'dat hij er gewoon zin in had.' Zeker zijn de bloedrode buffels uit zijn onderbewustzijn voortgekomen, maar niet zonder ooit de waterbuffels van Dien Chau te hebben gezien. Een tiental kilometers verder komt de aarde weer tot zichzelf en is het water in de rijstvelden gewoon melkachtig bruin.

Katholieke begraafplaats

Landinwaarts reizen is terug reizen door de tijd. De stedelijke uitstraling van Vinh op de plattelandsomgeving verwatert naarmate wij verder van de stad af raken. Wij passeren een grote dorpsgemeenschap waarboven een witte kathedraal uittorent. Nog hoger ligt een katholieke begraafplaats op een eenzame rotspartij. Een gemeenschappelijk kruisbeeld strekt de armen verwelkomend naar de dorpelingen uit. Wie een goed christen is, mag zich hier hoog en droog te rusten leggen. Dit dodenakker kent geen overstromingen tijdens de moesson, die de graven wegspoelen, - hier wordt voor de eeuwigheid begraven.

Verder landinwaarts worden de dorpsgemeenschappen kleiner en liggen zij verder uit elkaar. Wie zich in deze streken vestigt, nestelt zich met huis en al tegen de weg aan. Om het hoogst noodzakelijke van elders door de bus te laten bezorgen. Als er iets uit de moestuin of visvijver te verkopen overschiet, brengt de bus de dorpelingen naar de marktplaatsen in de grotere dorpsgemeenschappen. Naast het personen- en vrachtvervoer doet de bus dienst als koerier. Nieuwtjes reizen met de bus mee en worden tijdens de korte stops door de open ramen rond gebazuind.

Wij rijden door een vallei waar de huizen maar net boven de waterspiegel van de omringende visvijvers en groentepoelen staan. De dorpelingen hebben zich dik gekleed en de Honda-rijders zitten huiverend in hun plastic capes op hun voertuig. Het rotsachtige landschap is kaal en verlaten. De koele ochtendwind heeft hier vrijspel.

Nog westelijker raken de hellingen weer overdekt met groen. Het struikachtige gewas neemt in omvang toe en wordt langzaam maar zeker overschaduwd door hoge bomen met breed uitlopende kruinen. Sporadisch komen toefjes regenwoud op de bergen voor. De huizen langs de weg nemen in aantal toe en liggen verscholen achter fruitbomen en groenteloof. De boeren uit deze streek hebben een donkere, gelooide huid door hun werk op het land.

Oversteekplaats

Langs de oevers van de Ca liggen woonboten. Lange, ranke bootjes zijn overkapt met bogen van gevlochten matten. De bruingrijze scheepjes steken nauwelijks tegen de modderige oevers en het troebele water af. Wij steken de rivier over met een ponton dat wordt voortgetrokken door een sleepboot. Een tiental meters naast deze oversteekplaats wordt gewerkt aan een vaste oeververbinding. De betonnen T-vormige pijlers zijn al uitgehard en steken tot vijftien meter boven het water uit. Na de oversteek wordt de bus bestormd door jonge vrouwen die warme broodjes uit een jutezak tevoorschijn halen. Anderen verkopen rolletjes paté in bananenblad. Het brood vindt gretig aftrek, maar er zijn weinig passagiers die zich de paté kunnen veroorloven.

Na zes uur rijden over een weg die niet veel breder is dan de bus bereiken wij het onooglijke plaatsje Tuong Duong. De centrale plaats van het dorp is een modderpoel. Zodra ik de bus uitstap, word ik omspoeld door druk pratende jongemannen met verhitte gezichten. De moed zakt mij tot peilloze diepten in de schoenen. Wat doe ik hier in godsnaam? Het landschap is overweldigend. Tropisch regenwoud, steile hellingen en een woest stromende rivier, een droomplaatje. Maar de menselijke activiteit beperkt zich hier tot overleven in deze ogenschijnlijk weelderige omgeving. Hier is geen plaats voor fijnzinnigheden en aan de wensen van een verdwaalde bezoeker hoeft geen gehoor gegeven te worden. Investeren in goede wil is onnodig, want toekomstig toerisme zit er voor Tuong Duong niet in. Zoveel is na twee minuten in dit gat wel duidelijk.

Op de kaart zag deze plaats er zo aantrekkelijk uit, gebouwd op de heuveltoppen nabij de grens met Laos. Van hieruit zou ik door het binnenland in noordelijke richting reizen, naar de graftombes van de Le-dynastie in de omgeving van Theu Yen. In plaats van de zachtaardige H'mong en Thai minderheden die ik hier dacht aan te treffen, ontmoet ik grofgebekte lomperiken. De rode koppen en de scherpe alcohollucht geeft een aardige indicatie van de verveling die hier 's morgens al heerst. In mijn beste Vietnamees vraag ik of er een khach san in de buurt is. Dat woord kent men hier blijkbaar niet, maar een van de motorrijders roept 'hotel!' Daarvoor moet ik niet in Tuong Duong zijn, maakt hij duidelijk, maar zes kilometer verderop.

Diepe afgronden

De weg is diep uitgesneden en ik loop spitsroeden onder de blikken en kreten van de dorpelingen die rondhangen op het erf van hun hooggelegen huizen. Het asfalt buiten het dorp is weggespoeld. Glibberend en glijdend volgen wij de weg langs diepe afgronden naar het lager gelegen hotel. Na de zes kilometer lange glijbaan bereiken wij een klein lintdorp. De modderige straatweg staat blank. Uit het niets doemen kinderen op die om mij heen drommen. Ik loop met de motorrijder mee tot aan een hangbrug over de Ca. De brug is met een slagboom afgesloten voor verkeer. Voor het huis naast de slagboom staat een man die mij verbaasd van top tot teen opneemt. 'Hotel!' zegt de motorrijder en wijst op de man. Hoopvol kijk ik hem aan, maar hij schudt zijn hoofd en wijst naar de overkant van de brug.

De boogbrug zweeft twintig meter boven het kolkende water. Honderd meter stroomopwaarts voegt een naamloze rivier uit Laos zich bij de Ca. Op de andere oever staat een verzameling van drie vervallen huizen. Op het erf hameren een man met een verweerd gezicht en twee jongens op het roestige karkas van een Honda. Zonder veel hoop vraag ik of dit misschien het khach san is. De man en jongens kijken elkaar verbijsterd aan en schudden hun hoofd. Terwijl ik over de brug terug loop, hoor ik achter mij een bulderend gelach.

Een jongetje loopt mij op de brug tegemoet. Hij heeft een bleke huid en een fijngesneden gezicht. Hij draagt blauwe shorts en een oranje voetbalshirt dat bij zijn rechterschouder gescheurd is. Met zachte stem begint hij tegen mij te praten. Hij heet Thon en informeert naar mijn naam en het land waar ik vandaan kom. Met stralende ogen kijkt hij mij aan en pakt mijn hand vast. Samen wandelen wij naar het ondergelopen dorp terug. Twee fijnzinnige zielen in een wrede, platvloerse omgeving. Ik kan deze streek meteen verlaten. Thon moet hier blijven en zal net zo lang worden gepest totdat hij ook vals en wreed is. Je conformeren aan je omgeving is lang niet altijd een vrijwillige keuze of beleefdheidsvorm, maar dikwijls door noodzaak ingegeven, als overlevingsstrategie.

De motorrijder die mij naar beneden heeft gegleden is inmiddels vertrokken. Moeiteloos vind ik iemand die mij weer heuvelopwaarts brengt. Met leedvermaak word ik door de jongemannen van het dorp opgewacht, maar tot mijn geruststelling zie ik de bus nog staan. De chauffeur zit nog in de bus en ik vraag hem wanneer hij naar Vinh terug rijdt. 'Om een uur' antwoordt hij. Dat is al snel, over een uur. Voor de zekerheid schrijf ik 13.00 hours op zijn vuile bus. Er verschijnt een brede glimlach op zijn gezicht en hij knikt. Opgelucht zoek ik een koffiestal aan het dorpsplein op om het vertrek af te wachten. Om de nieuwsgierige blikken van de passerende dorpelingen te ontwijken volg ik de voetbalwedstrijd op de televisie achter in de stal. De tijd begint te dringen, evenals mijn behoefte aan een toilet.

 

verder naar "Varkensoren nabij de grens met Laos" deel 2

 

 

     

 

 

 

 



 

Google