|
Vietnam: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
Krabben eten bij Nguyen Van Dao in
Vinh
Vietnam reisverhaal: verslag van een reis door Vietnam
(Tekst: Jan Peter Wouters)
deel 2/2
Uitreisvisum
Tijdens het schuilen in de vervallen hut bekende hij dat hij
graag eens naar het buitenland zou gaan. Om van de Vietnamese
regering een uitreisvisum te krijgen had hij een schriftelijke
uitnodiging van een buitenlander nodig, wist hij. Wilde ik
hem misschien uitnodigen? Voorzichtig probeerde ik hem deze
dure onderneming uit zijn hoofd te praten. Als hij uitsluitend
naar het buitenland wilde om geld te verdienen kon hij beter
naar Australië gaan, zei ik. In Sydney zijn veel Vietnamezen
en die zouden hun landgenoot vast en zeker willen helpen.
Australië is relatief dichtbij en een vliegticket zal
daardoor een stuk goedkoper zijn.
Ik voelde er tevens weinig voor om een Certificaat van Onderdak
voor hem te ondertekenen om vervolgens voor de financiële
consequenties op te draaien als hij plotseling verdween en
onderdook om zich vervolgens in het zwarte circuit te laten
uitbuiten. Zijn Engels was onvoldoende om hem uitgebreid de
nadelen van een dergelijke onderneming uit de doeken te doen.
Verblind als hij was door de glimmende zijde van de medaille,
zou hij de doffe keerzijde toch niet willen bekijken. Dus
liet ik het onderwerp rusten. Nog even drong hij aan; zijn
vader had voldoende spaargeld, dat hij in overleg met de familie
vast en zeker voor dat doel mocht aanspreken.
Ogenschijnlijk lieten wij het onderwerp verder rusten, maar
in zijn hoofd bleef het door gisten. Om hem naar Nederland
uit te nodigen moest hij familie van mij zijn, zegt hij. Hij
gaat helemaal in het onderwerp op en verliest op het gevaarlijke
af zijn belangstelling voor het verkeer. Met een zus van hem
moest ik getrouwd zijn, of met een ander nabij familielid.
Dat verklaart meteen de belangstelling die ik hier als potentieel
echtgenoot geniet. Niet alleen wil men een dochter, zus of
nicht financieel bij mij onderbrengen, maar dat huwelijk betekent
voor de familie tevens de gelegenheid om in het Westen wat
harde contanten te verdienen. Mijn paspoort en alles wat daarmee
samenhangt, is van meer belang dan mijn persoonlijke aard.
Ter wille van de welvaart van de hele familie is men bereid
om het geluk van één familielid op te offeren.
Gebeeldhouwde zetel
Na het passeren van een aantal drukke verkeerswegen bereiken
wij een landelijk aandoende straat. In een van de zijstegen
staat het huis van Dao's oom. In de voortuin wordt groente
geteeld en over de veranda groeit een knoestige druivenstruik.
Kippen lopen los over het erf. Zijn oom woont alleen. De woning
is schoon, maar wanordelijk. Door de hele woonkamer liggen
papieren verspreid en aan de wand hangen opkrullende posters.
De oom wil het licht aandoen, maar de elektriciteit doet het
niet. Hij rommelt wat met de snoeren en draait enkele schakelaars
om en geeft het uiteindelijk zuchtend op. Dao vraagt mij om
zijn oom de landkaart te laten zien die ik bij mij heb. Met
mijn vinger op de kaart wijs ik aan hoe ik wil reizen.
Oom haalt een bril met een kolossaal zwart montuur tevoorschijn
die zijn halve gezicht bedekt. Opnieuw staat hij op om het
licht aan te doen. Ongeduldig draait hij de schakelaars om,
maar ook dat helpt niet. Gelaten neemt hij weer in zijn gebeeldhouwde
zetel tegenover ons plaats en staart glazig voor zich uit.
Zijn handen bewegen onrustig, maar zijn benig gezicht met
gerimpelde, ingevallen wangen verraadt geen enkele emotie.
Na een aanvankelijk enthousiast onthaal van zijn neefje komt
hij tot de conclusie dat wij elkaar niets te vertellen hebben.
Ook Dao zit oorverdovend te zwijgen, totdat hij vindt dat
wij lang genoeg op bezoek zijn geweest om met goed fatsoen
te vertrekken.
Wij rijden terug naar de Quang Trung straat en parkeren de
Honda voor het busstation. In tegenstelling tot wat Dao eerder
vertelde, vertrekt er maar een bus per dag naar Tuong Duong.
Ik koop een kaartje en de juffrouw aan het loket maakt duidelijk
dat ik de volgende ochtend moet letten op het nummerbord van
de bus. Het nummer heeft zij in sierlijke cijfers op mijn
kaartje geschreven.
Dao nodigt mij uit om een bezoek te brengen aan zijn pagode
aan de rand van Vinh. Het terrein om de pagode staat blank
en de graven staan als bootjes in het water. Via een kleine
omweg bereiken wij met droge voeten het hoofdgebouw. Op de
binnenplaats staan potten met bloeiende planten en een kleine
verzameling glimmende Honda's. Aan de wanden rond de binnenplaats
hangen foto's van monniken omstuwd door leken. Ook hangt er
een foto van een non met kort haar in een driewieler die dienst
doet als invalidenwagen. In een overdekte ruimte staan stoelen
in het gelid opgesteld. In deze ruimte hangen afbeeldingen
van Boeddha in zijn verschillende hoedanigheden. Als jonge,
seculiere prins, als rondtrekkende bedelmonnik, tot aan het
moment dat hij op zijn zij gelegen stervend afscheid neemt
van zijn volgelingen. Sommige afbeeldingen komen uit India,
andere uit Thailand en Vietnam.
Verlegenheid
Wanneer mijn ogen aan het duister gewend zijn zie ik een broodmagere
oude vrouw op de stoelen liggen. Met de ogen gesloten ligt
zij volkomen roerloos. Haar wangen zijn diepe kuilen en haar
gelaat heeft de kleur van een wassenbeeld. Even verderop staat
de driewieler van de non voor een kamer aan de galerij. Dao
gebaart mij te wachten en glipt de kamer binnen. Een krakende
stem beantwoordt zijn gefluister. De non is niet in de gelegenheid
om bezoek te ontvangen. Waarom zou ze ook? Wij zouden elkaar
alleen maar zwijgend kunnen aanstaren en af en toe flauwtjes
glimlachen om onze verlegenheid te verbergen. Aan haar stem
te horen is ze al heel wat jaren ouder dan op de foto. En
daarop zag ze er al moe en ziekelijk uit. Het is onnodig om
haar onthechting van haar waardigheid op de proef te stellen.
Wij steken de binnenplaats over en trekken onze schoenen
uit om het hart van de pagode te betreden. Van hieruit klonk
al geruime tijd het reciteren van een oude non die zichzelf
begeleidt met het kloppen op een houten klok. Naast haar zit
een non van middelbare leeftijd. Ook zij draagt een bruin
gewaad, maar heeft nog lang haar met zilveren strengen in
een dikke vlecht. De hoge ruimte is opgedeeld in drie secties.
Het hoofdaltaar neemt de meeste ruimte in beslag.
Levensgrote, vergulde Boeddhabeelden staan tot aan de nok
achter en naast elkaar opgesteld. Voor dit altaar zitten de
nonnen op een kleed op de grond. De reciterende non leest
de tekst met vlakke stem op uit een boek met dunne, knisperende
bladzijden. Met haar rechterhand laat zij de houten klos op
de klok neer komen. Soms houdt het kloppen een poosje op en
dan klinkt plotseling weer een eenzame slag, gevolgd door
het drie maal de gevouwen handen naar het voorhoofd brengen.
Aan weerszijden van het hoofdaltaar staan twee bescheiden
altaren, van meer menselijke goden. Hun voorkomen heeft niet
de gouden glans van Boeddha, maar is meer profaan. Dao pakt
een bos wierook uit een kartonnen doos en geeft de helft aan
mij nadat hij de bos heeft aangestoken. Nu is het mijn beurt
om te conformeren. In navolging van Dao breng ik eerst twee
keer drie maal een groet aan het hoofdaltaar en daarna aan
de subgoden. De profane goden krijgen ieder drie stokjes en
tot slot steken we het gros in het wierookvat voor het hoofdaltaar.
Daarna gebaart hij dat ik een contributie in het offerblok
moet steken. Met lede ogen zie ik aan hoe Dao het wisselgeld
van de krabben uit zijn borstzak trekt en in de gleuf van
de houten kist laat verdwijnen. Offeren op andermans kosten,
- zo kan ik ook royaal zijn.
Boerenwoning
Na het voedsel voor de geest is het tijd om de fysieke honger
te stillen. Wij rijden naar de rijstvelden even ten noorden
van Vinh, waar Dao met zijn familie in een kleine boerenwoning
leeft. Het centrale deel van de woning is uit steen opgetrokken
en biedt ruimte aan de huiskamer. In deze kamer worden de
gasten ontvangen. In het midden staat een lange, lage tafel
met een glazen blad. Om deze tafel staat het enige meubilair
gerangschikt. Een houten driezitsbank en twee houten fauteuils.
Aan het hoofd van de tafel staat een eenvoudige kast met glazen
deuren. Op deze kast staan de televisie en draagbare radio-cassettespeler.
De keuken leunt tegen de woning aan, met wanden van gevlochten
matten en een vloer van aangestampte aarde. Hier kookt Dao's
negentienjarige vrouw de maaltijden op een smeulend houtvuurtje.
De keuken is donker. Aan het plafond hangt een kale gloeilamp
en de rook van het houtvuur trekt weg door een geopend luik
in de achterwand.
Voordat wij gaan eten word ik uitgenodigd om mijn handen
en gezicht te wassen. Achter het huis staat een waterpomp
omringd door een betonnen vloertje, verscholen achter een
smalle rieten wand. Met dit grondwater wordt gewassen en gekookt.
Het water is koel en helder. Het varken in het kot naast de
wasplaats volgt zacht knorrend mijn verrichtingen.
Het eten is bijna klaar. Dao's schoonzus stapt met wat geld
en een lege fles op de fiets en komt vijf minuten later weer
terug. De fles is voor driekwart gevuld met een troebele,
witte vloeistof. 'Wine!' zegt Dao verheugd. De eetkommen worden
op tafel gezet en de kleine theekopjes doen dienst als borrelglaasjes.
De tafel wordt slechts voor vier personen gedekt. De vrouwen
en kinderen wachten in de keuken af. De zwager van Dao schenkt
onze kopjes vol, terwijl zijn vrouw dampende schalen met eten
binnen brengt. Witte mie, rundvlees met lente-uitjes in bouillon,
de gekookte krabben en wat vers gesneden rode peper. In de
rundvleesschotel drijven ook stukjes in bladeren gestoomde
paté.
Gedestilleerd
Voordat wij met eten beginnen wordt er eerst geproost. De
rijst 'wijn' blijkt gedestilleerd te zijn en brandt zich een
weg naar mijn lege maag. Het mannelijk gezelschap lacht tevreden
als zij zien hoe ik lucht binnenzuig om mijn mond te koelen.
Glimlachend schenkt de zwager mij opnieuw in.
Dao doet voor hoe ik de krabben moet eten. Hij licht het
rugschild met de twee helrode schijnogen op en peutert met
zijn eetstokjes de hierin achtergebleven stukjes vlees los.
Een voor een breekt hij de poten los, kraakt ze tussen zijn
tanden en zuigt ze leeg. Voordat ik een hap neem, moet ik
eerst even aan het eten snuiven, doet hij voor. Het lekkerste
bewaart hij voor het laatst, het vlezige buikschild. Het geurige,
witte krabbenvlees is precies een mondvol.
Ik eet weinig, in de veronderstelling dat de rest van de
familie zich met de resten van onze maaltijd tevreden zal
moeten stellen. Nadat ik heb aangegeven dat ik genoeg heb
gegeten dringen de zwager en Dao nog even aan dat ik meer
moet nemen. De laatste drank wordt uitgeschonken en daarna
verschijnen de vrouwen in de opening naar de keuken om te
zien of het eten gesmaakt heeft.
De tafel wordt afgeruimd en de schaal met overgebleven krabben
wordt in de deuropening naar het erf gezet, samen met een
rood emmertje. De kinderen van de familie en de buurtkinderen
hurken rondom de schaal en peuzelen zwijgzaam de resterende
krabben op. De tafel wordt schoongeveegd en thee komt voor
de drank in de plaats. Wij roken een sigaret en volkomen onverwacht
kondigt Dao aan dat het tijd is om te relaxen. Hij wil mij,
kortom, naar Vinh terug rijden.
Voor het hotel neemt hij kortaf afscheid. Terwijl ik naar
binnen loop, maakt Dao een praatje met de portier die buiten
op de stoep van het hotel zit.
naar
de website van Jan Peter Wouters voor meer verhalen en info
over Vietnam
|