|
Maleisië:
informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag,
info, foto's, Azië
Sarawak: Maleis Borneo
Maleisië reisverhaal: verslag van een reis door Sarawak:
Maleis Borneo
(tekst en foto's: Jennie Bijlsma)
deel 2/3
Sibu
Met de longboats stroomafwaarts terug naar de bus ging natuurlijk
sneller dan de heenreis tegen de stroom in. Na een lange reisdag
en een oversteek met een pont over een rivier bij Sibu kwamen
we in de middag in Sibu aan. Ik vond Sibu een triest uitziend
havenstadje. In Sibu staat echter wel een hele mooie Chinese
pagode. De pagode is te bezichtigen en de Chinese 'meester'
is maar wat graag bereid om je van alles te vertellen over
het confuscionalisme. Je krijgt een heleboel soevenirs mee
in de vorm van een boekje en rijstpapieren met tekening uit
de leer van Confuscius.
Van boven uit de pagode hadden we een
prachtig uitzicht over de stad. Toen we aan het water
op het terras aan een koel drankje zaten kwam er een
vrouwtje langs, met aan haar fiets vier durians. Een
mooie kans op die bijzondere vrucht, waarover ik later
meer vertel te fotograferen. Na een heerlijk diner in
het hotel nog even over de markt gelopen. Ook hier valt
te dineren, door gewoon wat te bestellen bij een van
de snackkraampjes. Wij hadden echter gekozen voor een
heerlijke Westerse maaltijd. |
|
|
Similajau NP
Na weer een reisdag met een lunchstop in het stadje Bintulu
kwamen we in het nog vrij onbekende Similajau NP aan. Dit
park dat net als Bako NP aan de Zuid-Chinese Zee ligt had
echter veel betere voorzieningen. We sliepen in zeer nette
kamers in een groot gebouw, waar nauwelijks muggen waren en
een klamboe niet nodig was.
| Het gastengebouw lag aan het strand en we
namen dus ook snel een frisse duik. Het strand bij Similajau
is langer en er zijn meer golven dan bij Bako. Ook heb
je hier meer last van stromingen. Dus maar niet te ver
de zee in. Het eten in de kantine was lekker en al met
al hadden we in Similajau een prima verblijf. |
|
Na en nachtje slapen zouden we een flinke wandeling gaan
maken en naar Turtle Beach lopen (Turtle Beach I: 7 km, Turtle
Beach II: 9 km). Helaas konden we ons dit keer niet door een
bootje laten ophalen, omdat de zee te wild was. Dus een lunchpakketje
mee en wandelen maar. Dwars door de jungle liep het pad, waarbij
we weer af en toe moesten klauteren over boomstronken. Als
je door de jungle op Borneo loopt zijn er eigenlijk nauwelijks
stukken pad die goed begaanbaar zijn. Bij elke pas die je
doet moet je eigenlijk goed naar de grond kijken om te voorkomen
dat struikelt, of iets breekt breekt over een boomwortel.
Vlak na het begin van de route kon je nog even afslaan naar
een uitkijkpunt met uitzicht op het strand.
Na de op bordjes aangegeven 7 km bereikten we Turtle Beach
I. Ik vond de inspanning al groot genoeg, was bekaf en moest
natuurlijk hetzelfde stuk nog terug en besloot dus niet door
te lopen naar het mooiere Turtle Beach II. Helaas was de stroming
te sterk om alle vermoeidheid eruit te kunnen zwemmen in zee.
Het moest bij pootjebaden blijven, maar dat was ook op Turtle
Beach II het geval geweest en ik was dus blij dat ik besloten
had niet nog dat extra stuk te lopen. Deze zware dag werd
beloond met een rustig tochtje op een bootje over de rivier
op zoek naar de zoutwater krokodil (die we niet zagen, we
zagen nog wel een vliegende hond o.i.d.) en met een barbecue.
De barbecue was een mooie gelegenheid om eens de durian te
gaan proeven. Deze geliefde Maleise vrucht, die je niet mee
mag nemen in een bus of een hotel, omdat de vrucht zo stinkt
konden we op deze manier buiten openmaken en nuttigen. Binnen
de schil zitten allemaal losse stukken vruchtvlees om meerder
pitten. De smaak van het kleverige vruchtvlees kan ik niet
omschrijven. Ik zou zelfs niet kunnen zeggen of ik het nu
vies of lekker vond. Vreemd was het in ieder geval wel. De
geur viel zo in de buitenlucht best mee, maar ik kan me het
durianverbod in de hotels wel voorstellen.
Niah Caves
Bij Niah Caves hadden we kamers met toilet en douche. Het
werd steeds beter. Na het inchecken werden we met een bootje
naar de overkant van de rivier gebracht, waar we naar de Niah
Caves zouden wandelen. In het kleine museum bij de ingang
van het park zagen we verschillende vogelnestjes van zwaluwen,
een reconstructie van de schilderingen in de Painted Cave
en een 40.000 jaar oude schedel die in de grotten was gevonden.
De tocht langs de grotten was geheel
over houten vlonders. Eerst kwamen we bij Traders Cave,
waar nog het geraamte van een voormalig longhouse in
de grot stond. Er hadden zo'n 25 gezinnen in het longhouse
gewoond. Onze weg vervolgend kwamen we bij de Great
Cave. Hierin hingen constructies (soort ladders) aan
het plafond waarin vogelnestjesplukkers klimmen om de
vogelnestje van de zwaluwen te plukken. |
|
Na de eerste leg worden de vogelnestjes, die als delicatesse
dienen in de bekende vogelnestjessoep, van het plafond geplukt.
De zwaluwen bouwen dan opnieuw nesten en leggen opnieuw eieren,
deze nestjes laat men zitten om de zwaluwenpopulatie op peil
te houden. Hoe de constructies ooit aan het plafond van de
grot zijn bevestigd is een raadsel, waarop niemand het antwoord
wist. Elk jaar vallen er plukkers te pletter tijdens het uitoefenen
van dit gevaarlijke beroep.
De grot lag bezaaid met zwaluwpoep en poep van vleermuizen.
Deze guano wordt als mest verkocht. Wij daalden met onze zaklampen
over de glibberige met guano besmeurde paden af in de grot.
Aan de andere kant van de grot was er nog een uitgang. Hier
liep een pad verder naar de Painted Cave. In deze grot waren
een aantal onduidelijke rotsschilderingen te zien. Via een
kortere weg door de Great Cave liepen we weer terug naar de
ingang van het park.
Gunung Mulu NP
We moesten de volgende ochtend al om half vier 's ochtends
opstaan, omdat onze twinotter (vliegtuigje voor 20 personen)
om 8 uur vanaf het vliegveld in de stad Miri zou vertrekken.
Na zo'n 35 minuten vliegen boven de jungle kwamen we op het
vliegveld van Mulu aan. Met busjes werden we naar onze lodge
aan de rivier gebracht.
In de middag reden we met de busjes naar de ingang van het
Nationale Park en deden daar een wandeling met een gids naar
de grotten van Mulu. Dit grottenstelsel is een van de grootste
van de wereld. Men beweert dat er slechts 1/3 deel van is
ontdekt. Ook deze wandeling was weer geheel over een van planken
aangelegd pad. Laat niet je handen over de leuning glijden,
want er zitten regelmatig giftige rupsen op de leuning. Na
ongeveer 3 km wandelen kwamen we bij de grotten aan. De Skeleton
Cave, waar we niet in konden gaan, maar waarin de Penan (een
semi-nomaden stam) hun doden begroeven.
 |
|
De Lang Cave (genoemd naar de ontdekker van de grot). In
deze grot, die verlicht was, zagen we prachtige stalactieten,
heliactieten en stalagmieten. Zeer indrukwekkend mooi. En
als laatste de Deer Cave. In deze grot hangen naar schatting
tussen de 1 en 3 miljoen vleermuizen (kan ook 5 miljoen zijn)
aan het 120 meter hoge plafond. Ook hier weer een centimeters
dikke laag guano. Om 17.00 u. snel de grot uit, om op een
soort tribune te wachten tot de vleermuizen in grote zwermen
de grot uit zouden vliegen. Dit gebeurt meestal tussen 17.00
u. en 18.00 u., maar dit keer lieten ze tot 18.30 u. op zich
wachten.
Zwarte slierten met vleermuizen tekenden zich af tegen de
blauwe lucht. Een enkele keer komen alle vleermuizen gelijktijdig
naar buiten, waardoor de lucht dan helemaal zwart ziet, maar
doorgaans komen ze in kleine groepen naar buiten, zoals ook
die keer dat wij er waren. Op de terugtocht werd het verbazingwekkend
snel donker in de jungle. Gelukkig waren wij voorzien van
een zaklamp en was het houten vlonderpad goed te volgen.Terug
in de lodge werden we getrakteerd op patat als diner en een
avondje vermaak met een blaaspijp die we naar hartelust uit
mochten proberen.
Op de tweede dag in Mulu gingen we met de longboats over
de rivier nog een paar grotten bezoeken. Onderweg stopten
we in een Penan-dorp, om het dorp te bekijken, maar ook om
natuurlijk souvenirs te kopen. Ik had ballonnen meegenomen
voor de kinderen en al gauw zagen we zo'n beetje alle kinderen
in het dorp. De school kwam namelijk net uit en het ballonnennieuws
ging als een lopend vuurtje.
Vanuit de longboat stapten we aan wal en liepen naar de
Wind Cave. In de grot voel je een flinke wind op een plek
waar je die niet verwacht. In de Wind Cave ligt de Kings Chamber.
Iets verderop, aan het einde van de rivier lag de Clearwater
Cave. Eerst liepen we nog even door de Lady's Cave, waarna
we de Clearwater Cave ingingen. Door de grot stroomt inderdaad
een zeer heldere rivier. Een mooi gezicht. Door het water
voelde het fris aan in de grot. Vanuit de Clearwater Cave
gingen we caven. Met alleen onze zaklampen daalden we door
nauwe spleten en wadend door het water in de grot af. Dit
keer dus niet over speciaal voor toeristen aangelegde paden.
Na ongeveer een uurtje kwamen we ergens in de jungle uit.
Na een paar minuten lopen waren we weer terug bij de rivier
en hadden we een heerlijke lunch. Eerst moesten we echter
in de rivier de modder van ons afspoelen, want we waren wel
erg smerig uit de grot gekomen. Op deze manier heb ik niet
alleen de grot gezien, maar ook echt beleefd.
Bij de lodge kon er nog gekanood worden. In de kano's gingen
we de rivier op. Dit keer, waarschijnlijk doordat we geen
motor hadden die de rust verstoorde, zagen we wel een paar
vogels. De dag erop besloten we weer te gaan kanoën,
maar de kano's bleken allemaal te zijn verhuurd. We konden
nog wel mountainbikes krijgen. Dus dat maar gedaan. langs
een smal paadje fietsten we naar een natuurlijke bron, waar
je ook in kon baden. Bij een hek stond dat we entree moesten
betalen. Er stond niet bij waar we dat moesten doen. Al gauw
kwam er een oud vrouwtje aanlopen, ik moest mee naar haar
huis en daar was haar dochter die een beetje Engels sprak.
Ik legde haar uit dat ik de entree wilde betalen voor de bron.
Bij de bron aangekomen, die niet meer was dan een getimmerd
houten badje in een blubberige rivier, kwamen de zwaveldampen
ons al snel tegemoet. Hoewel het water in het houten bad helder
was lokte het ons niet om erin te gaan zitten, om er vervolgens
geurend naar rotte eieren weer uit te komen. Het water was
trouwens ook wel erg heet. Leuk om even gezien te hebben,
maar na er vijf minuten te zijn geweest vertrokken we weer.
Over de in de zon blakerende weg fietsten we naar het vliegveld,
waar we een verkoelend ijsje kochten en daarna brachten we
de fietsen weer terug. In de middag vertrokken we weer vanuit
Mulu met de twinotter naar Miri. Dit verblijf hier in Mulu
was voor mij het hoogtepunt van deze reis.
Kinabalu NP en Mount Kinabalu
Vanuit Miri vlogen we met een iets groter vliegtuig direkt
door naar de hoofdstad van Sabah, Kota Kinabalu, waar we in
een vrij luxe hotel overnachtten om de volgende dag door te
reizen naar een hotel in de buurt van Kota Kinabalu NP.
Onderweg hadden we een paar keer een
mooi uitzicht op de in de wolken gehulde Mount Kinabalu.
Deze berg is 4101m hoog en de hoogste berg van Zuidoost-Azië
en kan zelfs door niet ervaren klimmers worden beklommen.
Na het inchecken reden we door naar Poring, bekend om
de Poring Hotsprings, waar we een korte Canopy Tour
deden. Er hingen ongeveer drie hangbruggen in de boomtoppen,
op zo'n 40 meter hoogte. |
|
Daar wandelden wij overheen. Het weer hier hoog in de bergen
was bewolkt en een stuk kouder dan in de rest van het land.
Door het bewolkte weer was het erg donker tussen de boomtoppen.
We wilden ook nog naar de vlindertuin die er was, maar vroegen
eerst of er met het slechte weer wel vlinders te zien zouden
zijn. Het antwoord was nee, dus gingen we de tuin maar niet
in.
Na een nachtje uitrusten in het hotel deed de rest van de
groep een poging om de berg te beklimmen. Ik bleef de hele
dag in het troosteloze hotel, waar de mensen die er werkten
trouwens bijzonder vriendelijk waren. De ploeg vertrok met
alleen de nodige dagbagage en een dikke trui met de bus naar
het Nationale Park. Ze zouden de eerste dag wandelen/klimmen
tot de overnachtingsplaats Laban Rata. Daar zouden ze de nacht
doorbrengen om zeer vroeg in de ochtend de top te gaan bedwingen.
Wat heb ik vaak aan hen gedacht toen ik het de hele nacht
hoorde regenen en stormen. Voor een aantal was Laban Rata
het eindpunt van tocht. Een paar echte kanjers trotseerden
wind, regen en kou om de laatste 600 meter, die boven de boomgrens
lagen te beklimmen en bereikten in het donker de top.
Nog diezelfde ochtend moesten ze de hele weg naar weer naar
beneden afleggen. Ik maakte diezelfde ochtend een korte wandeling
met een parkranger door het Nationale Park aan de voet van
de berg. Wie entree betaald voor het park kan gratis een rondwandeling
met een gids maken. De tocht eindigde in een orchideeëntuin.
Waar grote, maar ook hele kleine orchideeën te zien waren,
ook al was het er niet echt het seizoen voor. Hierna wandelde
ik naar de ingang van het park om de klimmers op te gaan wachten.
Ik was de eerstvolgende dagen de enige die geen spierpijn
had!!!
verder
naar "Sarawak: Maleis Borneo" deel 3
|