|
Laos: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
LAOS: een buitenbeentje tussen de buurlanden
Laos reisverhaal: verslag van een reis door Laos
(Tekst en foto's: Bert Taken)
(Onderstaand artikel is gepubliceerd in het
tijdschrift Voyager 8e jaargang nummer 31 2002)

Terwijl naburige landen als Thailand en Vietnam
al grote sprongen voorwaarts in de moderne ontwikkeling hebben
gemaakt is Laos nog steeds één van meest authentieke
Zuid-Oost Aziatische landen. Echter, nu de grenzen van het
land steeds meer open gaan zal het zich waarschijnlijk, net
als de buurlanden, snel ontwikkelen en allerlei goede en minder
goede zaken van de westerse consumptiemaatschappij opnemen.
Maar het leven is er nu nog relatief onbedorven. Wie nog authentiek
Zuid-Oost Azië wil meemaken zal snel moeten zijn.
deel 1/2
Het is moessontijd en de woeste Mekong is gekleurd door rode
modder. “Welcome to Indo China” staat er op een
bord boven de opstapplaats van de veerpont in het Noord-Thaise
grensplaatsje Chian Khong. De bootsman stuurt zijn lange ranke
boot behendig naar de overzijde. In het Laotiaanse Huay Xay
wissel ik 100$ en ontvang bijna een miljoen kip terug. Een
truck brengt mij ongeveer 30 km noordelijker waar ik samen
met een paar Japanse jongens een speedboat naar Xieng Kok
neem. Het lawaai van de motor is oorverdovend. Met een verbazingwekkende
snelheid slalomt de boot langs stroomversnellingen en drijfhout.
Halverwege herken ik aan de linkerzijde het Golden Triangle
punt: de plaats waar Thailand, Laos en Myanmar (Birma) aan
elkaar grenzen. Aan weerszijden van de rivier is daarna alleen
maar groen, vrijwel ongerept regenwoud zichtbaar.
Wat duizelig stap ik in Xieng Kok uit de boot. Aan de oever
zit een dozijn mannen wat apatisch te kijken naar de nieuwkomers.
Ik probeer met behulp van gebarentaal duidelijk te maken dat
ik een guesthouse zoek, maar zij halen enkel hun schouders
op. In het dorpje zie ik vrijwel uitsluitend paalwoningen
van riet en bamboe. Eén van de weinige stenen gebouwen
is het Siathong Guesthouse. De vriendelijke vrouw laat mij
een kleine kamer met een 2-persoonsbed en een klamboe zien.
Zij spreekt geen Engels en ik geen Laotiaans. Zij haalt een
stapeltje bankbiljetten van totaal 20.000 kip tevoorschijn
om de overnachtingprijs duidelijk te maken. Het is al laat
in de middag en na wat zoeken vind ik een klein restaurantje
waar ik een noodle-soup neem. Even verderop eet een luidruchtige
familie. De tafeloudste schenkt iedereen regelmatig een nieuw
glaasje lao-lao in waarbij telkens het geluidsniveau een paar
dB wordt opgeschroefd. Er breekt een tropische regenbui los
waarbij bijna alle huizen in het dorp het dreigen te begeven.
Iedereen ondergaat het gelaten.
 |
|
Oude mannen en opium
De volgende ochtend vertrekt er een truck oostwaarts. De
chauffeur rijdt eerst nog een uur langs alle huizen van het
dorpje om zijn wagen vol te krijgen. De weg naar Muang Sing
is jaren geleden verhard, maar de hevige regens hebben delen
weggespoeld of bedekt met modderstromen. Regelmatig rijdt
de truck stapvoets slippend door diepe moddersporen. Laos
is het minst geasfalteerde land ter wereld. Gezien de gaten
die inmiddels weer in bestaande wegen zijn ontstaan hoeft
het land niet bang te zijn om die nummer 1 positie te verliezen.
Op de markt van Muang Sing word ik onmiddellijk bestormd door
een zestal Akha-vrouwen die mij sieraden en marihuana willen
verkopen. Ik besluit eerst 8 km verder noordwaarts te reizen
naar het Adima Guesthouse: 6 huisjes, prachtig gelegen op
een heuvelrand met uitzicht op de omringende rijstvelden.
 |
|
De Chinese grens is op enkele kilometers afstand. Dichtbij
in de omgeving liggen verschillende Akha-, Yao- en Luu-dorpen.
’s Ochtends trekt een bonte stoet van Akha-vrouwen met
hoofdtooien vol zilverwerk en munten en Yao-vrouwen met rozerode
tulbanden langs het guesthouse naar de markt of het veld.
Overdag bevinden zich alleen wat bejaarden en kinderen in
de dorpen. In de dorpen wenken voortdurend oude mannen en
vragen zacht “Sabaidee, opium?”, terwijl ze met
hun hand samenzweerderig een lurkend gebaar aan een denkbeeldige
pijp maken. Muang Sing is van oudsher een centrum voor de
opiumproductie geweest. De Laotiaanse regering doet, onder
westerse druk, wel wat halfslachtige pogingen om de papaverteelt
te ontmoedigen, maar veel effect lijkt dat niet te hebben.
Bij de meeste bevolkingsgroepen in het noorden wordt de opium
alleen gebuikt door zieken mensen en door oude mannen die
niet meer productief zijn in het arbeidsproces. De komst van
veel begerige westerlingen heeft deze traditie flink in de
war geschopt.
Hobbelen in een truck
Na enkele dagen neem ik een songthaw (een soort bestelwagen
met twee rijen banken aan weerszijden) terug naar Muang Sing.
De lokale ochtendmarkt is een kleurrijk trefpunt voor alle
etnische groeperingen in de wijde omgeving. Op de markt zijn
vrouwen in allerlei kleurige klederdrachten aanwezig. Naast
de overwegend Tai-Luu bevolking komen ook vrouwen van de Akha,
Yao, Lenten, Hmong, Mien en Thai-Dam hun spullen verkopen
en nieuwe spullen inslaan. Alle levende have loopt vrij op
straat: waterbuffels, koeien, hangbuikzwijnen, kippen, kalkoenen
en eenden. Elektriciteit is er alleen van 19.00 uur tot 22.00
uur door middel van generatoren. In het noorden is het regenseizoen
ook echt een tijd van veel regen: er zijn dagen dat het onophoudelijk
pijpenstelen giet. De onverharde wegen zijn veranderd in modderpoelen.
Kleine slootjes veranderen in kolkende watermassa’s.
 |
|
Met een busje reis ik zuidwaarts in twee etappes via Nam Tha
naar Oudomxai: het hete stoffige verkeersknooppunt in het
noorden. Vanuit de relatief nieuwe stad zijn er doorgaande
wegen naar China en Vietnam. De meeste hotels en restaurants
zijn in Chinese handen. Toch is de stad niet geheel oninteressant:
als ik wat zijpaden in sla waan ik mij al snel in een authentiek
Loatiaans dorp met bamboehutten en paalwoningen en er is een
grote ochtendmarkt.
De volgende ochtend sta ik om 6.00 uur op het busstation
in Oudomxai. Er vertrekt vandaag slechts één
truck naar Pakbeng dat ongeveer 300 km ten zuidwesten aan
de Mekong ligt. Het is geen pretje om ruim negen uur lang
opeengepakt achterop de truck te rijden. Eenmaal op weg worden
al snel alle meegebrachte etenswaren tevoorschijn gehaald:
cilindervormige rieten mandjes propvol kleefrijst, plastic
zakjes met zwartbruine hete sausjes, zakjes met vette stukjes
vlees van een niet te achterhalen herkomst en gedroogde stukken
buffelhuid. Het regent een groot deel van de dag. De plastic
afdekking maakt het benauwd.Vooral het laatste deel van de
weg na Muang Houn is zeer slecht. Enkele malen moeten we uitstappen
als de weg deels is versperd door een grondverschuiving vanaf
de heuvels. Slippend en glijdend baant de truck zich langzaam
een weg door de modder.
Op weg naar Luang Prabang
Pakbeng, op de plaats waar de Mekong en de Nam Beng samenkomen,
is een tussenstop voor de slowboaten tussen Huay Xay en Luang
Prabang. Het dorpje is eigenlijk niet meer dan één
lange straat heuvelopwaarts met rieten huisjes en winkeltjes
aan weerszijden. Ik neem een guesthouse vlakbij de aanlegsteiger.
De kleine kamertjes zijn van elkaar gescheiden door dunne
rieten wanden. Tot ’s avonds laat is er lawaai en geschreeuw
van mannen, dronken van bier en laolao. Langs de wand en over
het plafond hoor ik voortdurend muizen (of ratten?) heen en
weer lopen. Als ik net ik slaap ben gevallen word ik alweer
gewekt door kraaiende hanen die de zon op zien komen.
 |
|
Ik koop een kaartje voor een slowboat naar Luang Prabang.
Om 9.00 ’s morgens stap ik samen met een Engels en een
Frans stel en een dozijn Laotiaanse medepassagiers met veel
koffers, dozen en tassen in het onderruim. Het uitzicht is
bijna de gehele dag hetzelfde: een 100 m brede bruinrode Mekong,
aan weerszijden groene dichtbegroeide heuvels en heel af en
toe een dorpje met wat paalwoningen. Onderweg legt de kapitein
verschillende malen aan om mensen te laten in- of uitstappen.
Het valt me op hoe onbevolkt Laos eigenlijk is.
Aan het eind van de middag legt de boot aan vlakbij het oude
centrum van Luang Prabang. Ik neem een tuktuk naar het Ban
Lao Guesthouse: een oude, witte villa op tien minuten loopafstand.
Luang Prabang, gelegen op de samenkomst van de Mekong en de
Khan rivier en omringd door groene heuvels, is de oudste stad
van Laos. Sinds 1995 staat de stad op de werelderfgoedlijst
van de UNESCO. Vanaf de 14e eeuw was het de hoofdstad van
het koninkrijk Lane Xang: het land van de miljoenen olifanten.
De vredige, slaperige stad kent tientallen wats waarvan de
Wat Xieng Thong, daterend uit 1559, de meest bijzondere is
met o.a. veel glinsterend mozaikwerk verhalend over diverse
Laotiaanse festivals. Een grote concentratie monniken in feloranje
gewaden draagt bij aan de kleurrijke, serene atmosfeer.
 |
|
Een wandeling door de stad voert mij langs een bonte mengeling
van Franse koloniale villa’s, traditionele Laotiaanse
huizen en allerlei gebouwen met beide invloeden. Diverse middagen
zit ik aan de rivieroever in de schaduw van palmbomen te kijken
naar vissersboten die fuiken uitzetten en slowboaten die langzaam
voorbij pruttelen,wachtend op de zonsondergang aan de overzijde
van de Mekong. Na de eenvoud van het noorden is de stad een
culinair luilekkerland. Naast stokbrood, croissants, yoghurt
met muesli, fruitshakes, bananenpannenkoeken en appelgebak
is ook de Laotiaanse keuken zeer uitgebreid en bijzonder:
bijvoorbeeld “tan mak hung” (een papaya-salade
bestaande uit dunne slierten groene papaya in een zeer pittige
zoetzure chilisaus) en “khai paen” (gefrituurde
rivierwier met sesamzaadjes). De stad wordt gedomineerd door
een hoge rots, de Phousi, met een kleine tempel op de top.
Vanaf de Phousi is er een schitterend uitzicht op Luang Prabang
en de wijde omgeving. Aan de voet van de Phousi ligt het voormalige
koninklijk paleis, gebouwd aan het begin van de vorige eeuw
en sinds 1975 een museum. Het interieur wordt gekenmerkt door
rood en goud en bezit ongeveer hetzelfde mozaikwerk dat ook
de Wat Xieng Thong siert.
verder
naar "LAOS: een buitenbeentje tussen de buurlanden"
deel 2
|