|
Jemen:
informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag,
info, foto's
De qat-kauwers van Sanaa
Jemen reisverhaal: verslag van een reis door Jemen
(tekst en foto's: Dick te Voortwis)
deel 1/4
Maandag 1 feb. 1999
‘s Nachts om vier uur worden al de eerste gebeden van
de vele minaretten afgeroepen, een flinke onrust! Jane had
al aangekondigd dat ze nieuwe oordoppen had ingeslagen en
die sliep dan ook door, evenals Frans, onze Belg, die dat
effect trachtte te bereiken met elke avond een paar slokken
whisky, gerantsoeneerd natuurlijk, want: op=op, in Jemen niet
verkrijgbaar!
Deze eerste dag kunnen we om wat te acclimatiseren zelf invullen.
Ons sub-groepje, bestaande uit de drie allenige mannen: Rob,
Frans en ik, gaat dan ook Sanaa ontdekken en verbazen ons
eerst vooral over de woontorens die wel tot acht verdiepingen
tellen, voor ‘t grootste deel gebouwd van leem. Ons
hotel was ook een dergelijk huis en omdat er ogenschijnlijk
zonder waterpas of iets dergelijks wordt gebouwd is het een
echte kruipdoor-, sluipdoorbedoening met kromme trappetjes,
lage deuren, verdiepingen op verschillende niveaus, nu weer
echt geheel in stijl gerenoveerd!
| Vooral de oude stad is schitterend met
z’n wel héél unieke architectuur:
het is dan ook niet verwonderlijk dat heel oud-Sanaa
in 1986 op de Werelderfgoedlijst van Unesco is geplaatst
zodat er ook internationaal middelen beschikbaar zijn
gekomen voor de broodnodige restauraties. Vandaag ook
voor ‘t eerst echt Jemenitisch gegeten: een soort
witte bonenschotel met hachee en brood. Eten met je
hand, je rechter, want je linker is voor meer onreine
zaken.
Het Nationaal Museum staat nog op ons programma, een
vluggertje wordt ‘t: om vier open, om vijf uur
dicht en om kwart vóór beginnen ze al
te drijven! Maar goed, vooral één zaal
heeft mijn extra warme belangstelling: die over de bijenteelt.
Verschillende bijenbehuizingen worden getoond zoals
lemen cilinders, kruiken, halve boomstammen (met losse
bouw) én een imker in een moderne imkersoverall!
|
|
Dan tot slot nog even over de groentemarkt: ruime keus,
ook veel qat: veel mannen zitten er gebogen over de verse
qat, met een dikke wang, te keuren en te proeven en de kwaliteit
uitgebreid te bespreken! Dan is ‘t goed voor vandaag,
morgen een lange reisdag naar Shihara.
Dinsdag 2 feb. 1999
Om acht uur op weg naar Shihara. Het wordt een enerverende
tocht. We reizen met twee Toyota Landcruisers mét chauffeur
die ons de hele reis zullen vergezellen. Het is eerst een
vlak landschap door een wadi met vruchtbare grond die wordt
klaargemaakt voor de kleine regens die hopenlijk over een
week of vijf beginnen. Ook wordt er veel qat verbouwd op deze
hoogvlakte. Later wordt het woester, alles vulkanische grond,
wel vruchtbaar en hoe hoger we komen hoe meer qatteelt.
We rijden over een bar slecht pad met veel stof, kuilen en
stenen tot een punt waar onze wagens niet verder kunnen (of
mogen) en stappen we over op lokaal vervoer: een paar Toyota
pick-ups met speciale bergversnelling om een nóg slechtere
en nóg steilere weg aan te kunnen! Na een uur kruipend
rijden, staand in de bak, over een spannend maar prachtig
pad komen we tegen zessen eindelijk aan in het bergdorp Shihara.
Het moet een onneembare plek geweest zijn door de geschiedenis
heen: de Turken werden hier lang geleden verslagen en de naam
is dan ook: "Graf van de Turken"!
Dit wordt onze eerste overnachting in ’n funduq, een
soort herberg met ’n gemeenschappelijke ruimte voor
eten, verpozen en slapen! Er liggen rondom langs de wanden
matrassen om op te zitten of te slapen; tijdens de maaltijd
schuif je in een kleine kring bij elkaar rond de schalen die
op een speciale mat met opstaande rand worden neergezet.
Woensdag 3 feb. 1999
Bijtijds (6.45 u.) uit de veren. We krijgen eerst het ontbijt
geserveerd: zittend op de grond breken we stukken van grote,
ronde, krokante broden die we in honing dopen; of eten van
het andere, zoete brood. Daarbij hoort dan altijd de miérzoete
thee. Tot slot van dit rijke ontbijt nog heerlijke lichte
honingkoek, waarbij de honing van je vingers druipt!
Om acht uur begint de zware afdaling. Eerst wat naar beneden
richting Turkse brug. Hier zweven arenden langs de bergwanden
op de opstijgende lucht omhoog: een magnifiek gezicht! De
brug is gebouwd in de zeventiende eeuw boven een 300 m diepe
kloof: een stukje vakmanschap!

We komen al vroeg aan in de stad Saada en maken dan ook nog
een wandeling. Ook hier verbaas ik me weer over de lemen gebouwen
en ook de stadsmuur van vier kilometer is opgetrokken van
leem en nog praktisch in z’n geheel begaanbaar! Ook
het ommuurde fort binnen de muren is van leem en ga zo maar
door!
Donderdag 4 feb. 1999
Een rustig begin van ‘n dag voor mezelf: ontbijt in
’n restaurantje op z’n Jemenitisch: grote ronde
broden en het bonenprakje: wel lekker. Dan neem ik de stadsmuur.
Ik besluit ‘m helemaal rond te wandelen. Je kijkt dan
overal áchter de huizen, op ‘t erf of in de tuin.
Een eindje op pad over de muur zie ik de markt en daal daar
naar af. Weer een typisch Arabische suq: alles te koop: vee,
groente, gebruiksartikelen, enz. Ook is er een abattoir waar
iedere slager z’n winkeltje heeft. Rond een binnenplaatsje
liggen een stuk of tien van deze bedoeninkjes. In elk zaakje
wordt zo te zien naar behoefte en op bestelling geslacht.
Van keuring is hier niets te merken, het vlees gaat zo van
‘t net geslachte dier in ’t plastic tasje van
de klant. Kinderen spelen onder de haken en iedereen loopt
er maar tussendoor!
Een eindje verderop zitten wel twintig zwaar gesluierde vrouwen
op ’n rij hun groente te sorteren. Van dichtbij een
foto maken van vrouwen is er in dit land niet bij dus de sterke
zoomlens komt nu goed van pas om (hoewel misschien ongepast)
ongemerkt een foto te maken!
Terug weer naar de muur. Er lopen een paar kleine meisjes
met piekhaar: soera, soera, nou vooruit dan maar en toevallig
zie ik in m’n ooghoek een gesluierde vrouw aan komen
die ik dan ook rustig tot in het beeld laat wandelen voor
ik knip! Ze geeft duidelijk te kennen dat ze er niet op moet,
maar ik stel haar gerust en zij is tevreden! En zo gaat dat
vaker: wachten tot er "toevallig" iemand door het
beeld loopt en dan drukken. Mannen vormen wat dat betreft
geen probleem: die zijn zo trots, ze verdringen zich vaak
voor de camera!
Ik ga er nog af voor de oude lemen vesting: ’n imposant
bouwwerk in carré-vorm met in het midden een toren.
’n Aantal jonge knapen staan me al op te wachten om
me te vertellen dat ik er niet in mag, geen foto’s mag
maken: het blijkt een soort machtsvertoon te zijn tegenover
een buitenlander waarvan de verdere bedoeling me niet helemaal
duidelijk is. Ik zet me dan ook maar eens binnen de muren
neer op een steen en dan bindt ook de "leider" van
’t stel wat in: ineens wil ie een gesprekje voeren:
"Where are you from?" enz. Ik mag foto’s maken,
ze wijzen me de beste plekjes aan hoewel ze zelf hoogstwaarschijnlijk
nog nooit een fototoestel in handen hebben gehad en ze willen
me rondleiden, maar dat hoeft van mij niet zonodig.
Het laatste stukje muur voor de Bab al Jemen (Zuidpoort) is
óf zeer onbetrouwbaar óf onbegaanbaar door grote
gaten, ik ga dan ook over straat naar ’t plein voor
de poort om daar de joden te bezoeken. Dit zijn de zilversmeden
van Jemen, vakmensen die heel fijn werk maken. Kopen ben ik
echter niet zo van plan, wel ’n foto maken maar dat
willen zij weer niet, helaas! Daar komt trouwens een oplossing
voor: later gaan we gezamenlijk naar de stad en vertel ik
Jane het verhaal. Zij heeft heel goede contacten met de joden,
ze heeft twintig jaar in Israël gewoond, kent dus naast
Arabisch ook vloeiend Hebreeuws. Zij regelt ’t even
en ik mag foto’s maken zoveel als ik wil van deze mannen
met hun typisch joodse pijpenkrullen langs het hoofd. Jane
praat met hen en kijkt verschrikt, bezorgd en slaat een hand
voor de mond: ze hoort nu van hun plannen om naar Israël
te emigreren maar dat ze worden opgehouden door de autoriteiten.
| Er is namelijk een familielid gedood
en het lijk wordt nog niet vrijgegeven om te begraven
en dat is nog de laatste zware plicht die op hen rust
omdat zij ook de laatste joden in Sadaa zijn die deze
taak op zich kunnen nemen! ’n Laatste stukje joodse
cultuur van meer dan tweeduizend jaar verdwijnt hiermee
uit Saada! |
|
Vrijdag 5 feb. 1999
Wat verder weer in de wadi komen we bij een grillige rotsformatie
met daarin een mooie door erosie gevormde poort. Het is
blijkbaar een plek waar al heel lang mensen respect voor
gehad hebben want er zijn hier overal prehistorische afbeeldingen
te vinden in de vorm van ingegraveerde steenbokken en
dromedarissen. Waar deze zich op reikhoogte bevinden zijn
er andere tekeningen en Arabische leuzen overheengeklad
van religieuze dan wel revolutionaire aard!
Ook hier meteen weer kinderen:
op de foto?
ja, leuk!
’t Is wat donker, dus ik moet bijflitsen.
FLITS!
Aah! En wég stuiven ze, de dapperen voorop!
Onze groep bestaat uit zeven mensen plus de reisbegeleidster
Jane, een vrouw heel jong van geest! Ze is lerares Engels,
maar geniet nu een “sabbatical year”. Ze
houdt van de Arabische wereld, spreekt ook Arabisch,
gaat graag met mensen om en die combinatie maakt haar
een uitstekende reisbegeleidster! |
|
Zaterdag, 6 feb. 1999
Een lange reis vandaag: van Saada in het noorden naar Hajja
in het westen, in de bergen. ’t Eerste deel van de tocht
is weer gewoon terug maar bij Amran gaan we naar ’t
westen, de bergen in. Een prachtige tocht over ’ n goede
weg die met hulp van de chinezen is aangelegd. ’t Is
een magnifiek berglandschap, eerst een pas over van 2800 m
hoog; we stappen uit en meteen zijn we weer omringd door kinderen,
dit keer om fossielen te verkopen voor weinig geld. Ik koop
er twee, de kinderen trekken zich terug en dan zie ik dat
je met wat zoeken zo een handjevol fossielen bij mekaar hebt!
Een prachtig uitzicht is verder ons deel: heel diep, hellingen
met veel terrassen, dorpen als kleine vestingen op de toppen:
schitterend!
De tocht gaat verder, omhoog, omlaag, prachtige uitzichten
over bergen en dalen met dorpen, torens en burchten. In Hajja
is er een funduq voor één nacht want morgen
gaat ’t alweer verder.


Zondag 7 feb. 1999
Weer dezelfde weg terug, eerst de kloof in, weer omhoog, de
prachtige vergezichten, meestal een nog dor landschap, maar
wel terrassen waar geploegd was of met de hand gespit en wel
heel diep: tot 40 cm in de harde, droge lemige grond: bijzonder
zwaar werk! Ghanim, onze chauffeur, vertelt dat z’n
vader ook een boerderij heeft waar hij veel helpt als er geen
chauffeurswerk is. Het is blijkbaar een echt gemengd bedrijf:
verbouw van fruit, alfalfa (voedergewas) en gerst plus nog
een aantal geiten en kippen.
Verder nu naar Kaukaban: een heel hoog gelegen bergstadje,
niet te veroveren, tot voor kort alleen bereikbaar via een
smal, steil paadje 600 m. omhoog! Pas voor enkele jaren heeft
men een (zij het ook heel steile) asfaltweg aangelegd. ‘
Is een oud stadje, tamelijk in ruïne nog van de oorlog
van 1962: kapotgeschoten door vliegtuigen! Gedeeltelijk ontvolkt
ook, misschien dat er mensen terugkomen nu de asfaltweg er
is. Bereikbaarheid is belangrijk, ook hier met hun Toyota-pickups.
Een Schilderachtige moskee met hamam is er met een cisterne
ernaast waar de vrouwen nog het water uit scheppen.
We logeren weer in ‘n heel fraaie funduq. Na ’t
eten is er een optreden van Jemenitische dansers. Dansen is
hier een typische mannenaangelegenheid, vrouwen doen dat niet
in ’t openbaar! Eenvoudige danspasjes worden ons aangeleerd,
maar erg bekoren kan ’t mij niet. ’t Zal wel iets
te maken hebben met mijn aversie van nature tegen dansen en
dat is moeilijk te overwinnen. Dan tonen ze nog een dans met
djambya’s: leuk om te zien.
Maandag, 8 feb. 1999
Een Lange wandeltocht staat op ’t programma: er is
keuze uit vijf of zeven uur. Voor mij wordt ’t vijf
uur. Eerst een flinke wandeling op een hoog plateau met soms
prachtige vergezichten over de diep insnijdende kloven. De
hoogvlakte is namelijk doorsneden door diepe canyons waar,
uitgeslepen door rivieren in lang vervlogen, nattere tijden.
Nu zijn het wadi’s die alleen in de regentijd water
voeren.
| Plotseling kruist een vijftal gesluierde
jonge vrouwen ons pad. Twee van hen trotseren waarschijnlijk
God en gebod door wel op de foto te willen en daar nog
een kleine bijdrage voor te wensen ook: ik houd er in
ieder geval de mooie foto “Vrouwenogen”
aan over! We komen in een dorpje waar iets loos is:
het blijkt een bruiloftsfeest te zijn waar buiten voor
de bruidegom gedanst wordt met djambya of met geweer,
het maakt niet uit. Later horen we ook schieten ter
gelegenheid van de bruiloft. Vlak daarbij is een rotspunt
met een adembenemend panorama: we hoorden later dat
de bedoeling geweest was hier te picknicken op de rand
van de kloof. Maar de gids was anders van plan: zo snel
mogelijk naar beneden, geen tijd om te kijken, tot we
om twaalf uur beneden zijn.
Vier van ons lopen dan verder voor de lange wandeling
en wij wachten en lopen de auto tegemoet die ongeveer
kwart over twee arriveert! Over een stoffige weg rijden
we terug. Uit de helling naast de weg ontspringen spontaan
verschillende stroompjes en we zien dan ook verschillende
groene akkers die hiermee bevloeid worden, de rest ligt
er bruin bij, smachtend naar de regen van volgende maand. |
|
Net voor we in Kaukaban aankomen stap ik uit om nog wat te
kijken en foto’s te maken. Op een hek rond een waterreservoir
voor de stad zie ik eerst al vijf rode wouwen. Hier trouwens
geen zeldzaamheid. In de lucht zie ik dan een grote roofvogel
die ik niet ken maar zich later door z’n tekening en
grootte als waarschijnlijke dwergarend verraadt. Verder ook
nog een enorme vogel waarvan ik denk dat ’t een steenarend
moet zijn die zo majestueus en statig met zo nu en dan een
enkele vleugelslag langs de hemel glijdt. Het eten is hier
heel verzorgd, Jemenitisch: rijst, vleesblokjes, erwten, bonen,
frites(!) met veel sambal en rauwkost: heel smakelijk!
Dinsdag 9 feb. 1999
Inpakken, ontbijt, bagage in de auto en dan de afdaling te
voet naar Shibam. Twintig jaar geleden is er een pad voor
4Wd-auto’s gemaakt, maar daarvoor was er alleen dit
voetpad van Kaukaban naar Shibam, een afdaling van zeshonderd
meter! Over de weg is de afstand negen kilometer, het voetpad,
meest trap, misschien anderhalf! Door een smalle kloof gaat
’t steil naar beneden, langs een bron: meteen is er
veel fris groen en vogels: schitterend, zo midden in dit verder
dorre landschap.
We steken enkele bergruggen over en zijn al slingerend uiteindelijk
tweeduizend meter gedaald. Hoe lager we telkens komen in een
dal hoe groener het wordt: palmen, bananen, papaja’s
en vele andere soorten loofbomen.
We rijden door de Wadi Sara. ’t Is hier groen maar
er staat eerst geen water zoals wel verwacht was. Er is veel
landbouw langs zo’n wadi, vooral als die toch wel lang
water voert. Nu we van de openbare weg af zijn ( wat is hier
trouwens openbare weg: iedereen rijdt door de wadi) willen
de chauffeurs het stuur wel afstaan aan Jane en Dolf. Na een
uurtje dan toch: water! Yvette en ik gaan boven op de auto;
het uitzicht is dan magnifiek en je zit lekker in de wind.
Je hebt dan een mooie kijk op de velden, je ziet wat meer
van de vogels die er zijn, wat watervogels, b.v. een hamerkop
blijft stoïcijns vlak bij de auto in het water zoeken
naar wat eetbaars.
Na een paar uur rijden vinden we een plekje om te kamperen.
Maar nu, oh ramp, er zijn geen vier maar slechts drie tenten,
geen kopjes, geen gas in de gastankjes en nog zo wat meer!
’t Schijnt dat de agent hier in Jemen én ’t
kantoor in Amsterdam niet erg volledig zijn geweest met ’t
samenstellen van het kampeerpakket!
Maar halve plastic flessen zijn ook kopjes, ’n houtvuur
is ook ’n goede warmtebron en slapen op en in de auto
kan ook! We redden ons prima met wat inventiviteit! We genieten
van de heldere sterrenhemel en na eten en afwassen schieten
we de tent in. Er zijn enorm veel geluiden: krekels, nachtvogels,
kikkers, mensen ook overal, de muezzin ook hier!
Woensdag 10 feb. 1999
De tenten zijn erg nat van de dauw maar na het ontbijt vouwen
we ze toch maar op want we willen op pad. ’s Avonds
op ’t dak van de funduq kunnen ze wel te drogen hangen.
Een wandeling door de wadi, langs het water, soms springend
erover, soms even erdoor. ’n Mooie tocht is ‘t,
langs de velden banaan, maïs, graan, veel bamboe en tussen
de groene houtwallen op de oevers door, ook hier achtervolgd
door kinderen roepend om “pen” of “kalhem”
(is ook pen) en “where are you from”.
Na twee uur komen de Toyota’s ons weer achterop. Ik
ga er weer bovenop voor ’t uitzicht. Na ’n paar
kilometer houdt het meeste groen op, ’t wordt ruiger,
de kloof smaller; je kunt aan de oever in de struiken zien
dat het water wel drie, vier meter hoog, met donderend geweld
door de kloof is geraasd. Wat een verschil met nu! Dan is
’t water ineens helemaal weggezakt en komt een kilometer
verder langzaam weer aan de oppervlakte terwijl bij ons eindpunt,
een brug over een hoofdweg, het een tamelijk snelle stroom
is van wel veertig meter breed waar mensen tot hun middel
in staan te baden of de was te doen.
Uit de vochtige warmte van zo’n 30o C stijgen we ‘n
tweeduizend meter waar ‘t 23o C is. Eerst nu naar bergdorpje:
Hajjarah, mooi gelegen op een richel waar de huizen strategisch
een vestingmuur vormen. Groots en woest oogt dit Harazgebergte!
Ik ben er zeer van onder de indruk geraakt in deze dagen dat
we het doorkruisen.
We rijden naar ’t dorp Manakha waar we in een funduq
neerstrijken met douche, wat wel weer eens bijzonder op prijs
wordt gesteld! ’s Avonds heb ik ’t Jemenitische
domino mogen leren, een spel dat hier overal door de mannen
gespeeld wordt. Vooral de puntentelling is wat ingewikkeld.
Jane kan er niet van slapen, niet van de domino, en niet
van de drukke Ghanim, één van onze chauffeurs.
Hij is het die me de bijnaam geeft “bedouien”
vanwege de Palestijnse hoofddoek die ik constant op heb op
z’n Jemenitisch!
Donderdag 11 feb. 1999
In de funduq is een Nederlandse jonge vrouw aangekomen waar
ik mee in gesprek raak. Ze is hier om een instituut voor invalide
kinderen te bezoeken in Sanaa en knoopt daar een reisje bij
aan. Ze heeft een bijzondere band met Jemen vanwege een rechtstreekse
voorouder van haar die in de VOC participeerde: in 1616 was
Pieter van den Broeke de stichter van een koffiehandelshuis
in Al Mokha (mokka), een havenstadje aan de Rode Zee met inderdaad
nu nog de ruïnes van de oude koloniale huizen zoals we
over een paar dagen zullen zien.
Met een klein groepje gaan we in de namiddag bij een familie
op bezoek. We komen bij een gezin bestaande uit vader, moeder
en zeven kinderen. Pa is arbeidsongeschikt geraakt door een
ongeluk bij de post en ontvangt daar een kleine uitkering
voor. Ze wonen in een van de oudste huizen van Manakha: volgens
henzelf kan het wel zevenhonderd jaar oud zijn; wij houden
’t op vier- á vijfhonderd, nog genoeg! Het bestaat
traditioneel uit vijf verdiepingen, gebouwd van leem. Hier
in de bergen zijn ook veel huizen opgetrokken uit natuursteen.
Wij bevinden ons op de derde verdieping, de eigenlijke woonverdieping
met keuken en woonkamer, waar we ons neer mogen vlijen op
de kussens langs de wanden. We worden getrakteerd op thee
met zoet gebak terwijl steeds meer familieleden binnenkomen:
vader zit er al met een waterpijp én qatkauwend, één
zoon vergezelt hem daarbij met een voorraad qat in z’n
wangzak zo groot als een tennisbal!
Dan begint de vrouw des huizes met dat waarvoor we gekomen
zijn: de henna-sessie. Volgens de adat zouden de mannen hier
niet bij mogen zijn, maar daar wordt gelukkig niet zo zwaar
aan getild. Onze drie vrouwen worden versierd met armbanden,
fraaie krullen op benen, hals en natuurlijk handen.Van het
jongste dochtertje worden ook de handjes mooi gemaakt en ze
loopt daarmee zo trots als een pauw door de kamer te pronken!
verder
naar "De qat-kauwers van Sanaa" deel 2
|