Indonesië: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië

Een week op Savu

Indonesië reisverhaal: verslag van een reis door Indonesië

© Frank van den Berge - World Picture Service

 

Ik ben net met twintig andere passagiers en mijn fiets in een vijf meter lange motorboot aan land gebracht. De ferry, die mij keurig in het haventje van Seba, het hoofdstadje aan de noordkust van het eiland Savu gelegen, zou afleveren, is niet in staat de kleine haven binnen te varen vanwege de hoge golven door de zware storm, waarin wij ons de laatste uren tegen wil en dank hebben begeven. Het schip zou direct door de pier heen slaan en op het strand gegooid worden. De golven zijn dan ook huizenhoog. Vandaar dat de ferry koers heeft gezet naar de zuidkust van Savu om daar in de lijzijde van de storm voor anker te gaan. Een groot koraalrif hier maakt het onmogelijk dichter dan twee kilometer bij de kust te komen, zodat vanuit het strand diverse motorbooteigenaren hun kans schoon zien om in een dag rijk te worden. Zij trotseren de ook hier nog hoge golven en koersen naar de ferry. Daar pikken ze de geheel ontredderde passagiers op. Gelukkig staan er geen auto's op het dek. Die zouden dan tot het gaan liggen van de storm moeten wachten en dat kan nog wel dagen duren.

Ieder heeft zo zijn eigen bagage bij zich. Mijn grote tas waarin al mijn bezittingen zitten en mijn fiets kunnen nog wel eenvoudig naar beneden gelaten worden om in het motorbootje een plaats te vinden. Trossen levende kippen, enorme balen rijst en maïs en de levende hangbuikzwijnen leveren wat meer problemen op. In Indonesië kan echter alles, zodat ik met fiets en al tussen twintig mensen en de geknevelde levende have kom te zitten. Ik voel me als in een sadomasochistische kinderboerderij. Wat een dierenleed!

Als verzopen katten stappen de mensen een kwartier later, doorweekt van het opspattende zeewater de motorboot uit en waden de laatste meters naar het strandje. Ik zie sommigen het zand kussen als dank voor het veilig aan land komen na de verschrikkelijke storm van vannacht. Ik heb er ook geen leuke herinneringen aan. Zelf heb ik met een reddingsvest aan in de passagiersruimte op de grond gelegen. Zitten was er niet meer bij. Lege colaflesjes schoten als projectielen over de grond van links naar rechts en terug als we weer de speelbal waren van een hoge golf. Tijd om je ziek te voelen was er niet. Je had andere dingen aan je hoofd.

Daar staan we dan na een klein uur met alle ferrypassagiers tezamen op het kleine strand, hier aan de zuidkust van Savu. Ik heb dan wel als enige mijn eigen vervoermiddel bij me, maar het is nog maar de vraag of ik die dertig kilometer naar Seba zonder problemen zou kunnen afleggen. De autochtonen waarschuwen me voor de zeer slechte staat, waarin de weg verkeert. Een grote, open vrachtwagen zal diegenen, die verder wonen dan vijf kilometer van dit strand naar huis brengen. Gelukkig blijven er niet zoveel mensen over.

Met zo'n 30 man, een fiets, 2 varkens, een paar trossen kippen en heel veel bagage waaronder complete aandrijfassen van de vrachtwagen achter in de laadbak, vertrekken we uiteindelijk. We moeten ons aan elkaar vasthouden. Het lijkt alsof wij nog niet uit de storm zijn. De vrachtwagen schommelt bijna even veel als de ferry op de golven! De weg is dan ook bar slecht.Van asfalt is hier geen sprake. De spaarzame trucks, die op het eiland rijden hebben samen met de moesson de weg totaal aan flarden gereden. Zijn wij net niet met de boot omgeslagen, met de auto was het bijna wel zo ver. We weten gelukkig allen naar de goede kant van de vrachtwagen over te hellen. Wat is dit een ramp! Had ik op het strand toch maar de stoute schoenen aangetrokken en was ik toch maar per rijwiel naar Seba gegaan. Ik had dan wel stukken moeten lopen, maar zonder gevaar om geplet te kunnen worden tussen een vrachtwagen en Savunees grondgebied.

Na een enerverende maar eigenlijk prachtige tocht komen we aan in Seba. De autochtonen zoeken hun familie op. Ik sta daar ziels alleen in de hoofdstraat van Seba. Een halve kilometer lange straat, waaraan aan beide kanten huisjes en winkeltjes staan, loopt vanaf een belangrijke kruising tot aan de haven. Ik zie dan ook in de verte enorme hoge golven op het strand en tegen de pier beuken. Het waait hier hard en ik voel me niet echt op mijn gemak. Hoe kom ik weer veilig van dit eiland af? Volgens de mij bekende gegevens is men verplicht minstens een week hier te blijven. De boot terug naar Sumba, waar ik net vandaan kom en de boot naar Kupang op Timor, de ander kant op, gaan eenmaal per week op dezelfde dag en dat is vandaag. Ik neem aan dat de boot uit Kupang naar hier vanwege de storm niet eens vertrokken is. Ik zie in de verte nergens een ferry liggen. Wel zie ik een haag mensen op het strand, die naar de enorme rollers staan te kijken. Een deel van de met stenen versterkte kade is weggespoeld. Het moet vannacht ook hier erg tekeer zijn gegaan. Straks zal ik eens beter gaan kijken. Eerst moet ik maar eens een slaapplaats zien te vinden.

Mijn fiets en de grote tas laat ik tijdelijk in een kleine winkel achter en ga lopend de straat door. Er is geen bord te zien met het opschrift "Hotel". Zelfs geen penginapan of pondok, de meest eenvoudige slaapgelegenheden in Indonesië, is hier te vinden. Ik zal dan toch bij iemand moeten aanbellen om te vragen of ik er mag slapen. Ik ga terug naar mijn fiets en vraag de winkeleigenaar om een slaapplaats. Die heeft hij niet maar ik moet maar eens bij zijn vriend Arman vragen, het laatste huis links voor de kruising.

Lopend naast mijn fiets kom ik aan bij de familie Algadri. Arman staat buiten op de stoep. Hij spreekt slechts drie woorden Engels maar toch ik kan hem duidelijk maken dat ik van plan ben hier een week te blijven en dus onderdak zoek. Hij verontschuldigt zich en vraagt mij hem te volgen. We lopen naar een ander huis.

De vrouw des huizes vertelt Arman dat het haar nu eigenlijk niet goed uitkomt. Zij verwacht een aantal veldwerkers van de regering. Waar blijft een slaapplaats voor mij, schiet mij maar door het hoofd. De vrouw, die waarschijnlijk de enige is, die officieel een kamer aan een vreemdeling mag verhuren, geeft bij het bemerken van mijn zorgen ter plekke toestemming aan Arman om mij te huisvesten. Dat komt hem goed uit. Hij kan wel een extra zakcent gebruiken. Hij begeleidt mij weer naar zijn woning en biedt mij nederig een lege kamer aan. Dat vind ik al heel wat in deze negorij, want het stelt hier allemaal niet veel voor.Wat jonge knapen scheuren op hun motorfiets de straat door maar de huizen zijn trieste onderkomens van bamboe of lelijk beton met een golfplaten dak erop. Mijn lege kamer bewijst dit nog eens. Ik accepteer mijn nachtelijk verblijf maar moet ik op de grond slapen of is er ergens in Seba een matras te vinden? Ik hoef mij geen zorgen te maken. Een stoel wordt voor mij klaar gezet, ik krijg een glas koffie en ondertussen is Arman druk bezig het de onverwachte gast zo comfortabel mogelijk te maken.

Uit een woning aan de overkant wordt een matras gehaald. Vanuit de enige stroomdraad in het huisje wordt een aftapping gemaakt en binnen een mum van tijd heb ik een nog niet brandend peertje in de nog enigszins lege ruimte. In de deur van de kamer worden aan de binnen- en buitenkant schroefogen gedraaid en een hangslotje wordt bij de naastliggende winkel geleend. Een prachtige ikat-doek is door zijn vrouw uit de linnenkast gehaald en wordt in de deuropening gehangen, afgesloten voor het zicht maar toch frisse lucht. In het halletje, waar de kamer op uitkomt, staat intussen een tafel met een thermosfles warm water, een paar theebuiltjes, een paar zakjes koffie en een glas vol suiker. "Bedient u zichzelf, alstublieft. Ik haal zo wat bananen en sinaasappelen. En voor eten zorgen wij ook! U bent bij ons "indekos".

Ik weet niet hoe ik moet reageren. Ik sta verbaasd over deze actie van Arman en zijn vrouw, die zich nu ook aan mij heeft voorgesteld. Ik schat ze beiden rond de 35 jaar oud. Een klein ventje scharrelt wat rond op een half stuk speelgoedfietsje. Ik neem aan dat het hun zoontje is. Er zijn ook twee jonge meisjes in het huis, maar die zijn "in dienst" bij de familie Algadri. Die koken, wassen en doen dus ook maar meteen de rest. Heel verlegen geven ze me een hand omdat dat moet. Bij elke nies staan ze voor me. Dat is iets te veel van het goede. Ik ben geen koloniaal!

Ik word gevraagd mijn fiets in mijn kamer te zetten. Niet zozeer vanwege diefstal, maar hun "kleine vent" is zijn nieuwe wereld aan het ontdekken. Je weet nooit wat hij van mijn fiets schroeft om het aan zijn vader te laten zien. Er is nog ruimte genoeg in mijn kamer. Er ligt alleen een keurig opgemaakt matras op de grond. Vanaf zes uur zal ik aan het peertje moeten draaien om licht in mijn onderkomen te krijgen. Een snoerschakelaar is in Seba niet te vinden. Het lijkt mij ook niet echt nodig. Los- en vastdraaien van het lampje gaat ook.

Alhoewel ik met deze hele actie zeer content ben, vraag ik mij na een tijdje af wat de heer Algadri mij zal vragen als onkostenvergoeding voor deze luxe. Ik loop op hem af, maak eerst duidelijk dat ik dit alles zeer waardeer, maar dat hier op het hele eiland Savu geen banken zijn, waar ik even geld kan wisselen en dat ik het minimaal een week moet kunnen uithouden met de Indonesische Rupiah's, die ik in mijn portemonnee heb. Dat lijkt wel een heleboel, maar het heeft wat weg van Monopolygeld. Tienduizend Rupiah staat gelijk aan f7,50!En dat is nu precies wat Arman mij per dag vraagt. Zeven gulden vijftig per nacht. Ik heb wel eens goedkoper geslapen, maar hier zijn geen toeristen, dus de prijzen liggen wat hoger. Een eigenlijk vreemde manier van prijsbepaling.Waar veel toeristen komen zijn de hotels goedkoop, waar niemand komt liggen de prijzen hoger. Geen concurrentie dus een monopolie. Vandaar deze wat hogere prijs dan ik gewend ben, maar veel is het natuurlijk niet!

En hoeveel kost mij een maaltijd? Ik moet toch minstens drie keer per dag eten als ik hier op Savu een paar flinke fietstochten wil gaan maken. "Maar mijn beste reiziger, u bent toch in de kost? Tienduizend Rupiah voor slapen, drie maaltijden en naar behoefte koffie, thee en fruit".Hiervan word ik even stil. En ik maar denken dat hij de prijs wat opgeschroefd heeft vanwege die ene toerist per maand. Ik ben dus voor f7,50 volledig in de kost. Hoe is het mogelijk? Ik begin nu langzamerhand te begrijpen waarom een Indonesiër nooit rijk zal worden. Tenminste, niet dit soort mensen. Hij is duidelijk blij dat ik niet protesteer en een andere kamerga zoeken. Waarom zou ik ook?

Het is nu rond de klok van 2 uur en ik heb dus nog een paar uur om de omgeving te ontdekken voordat de duisternis invalt. De schemering is hier kort zo vlakbij de evenaar. De zon gaat hier loodrecht naar beneden.Ik pak mijn fiets en heb moeite met het afsluiten van mijn kamer. Op mijn reis heb ik zelfs al vele Indonesiërs beledigd door mijn fiets op slot te zetten. Dat geeft blijk van het niet vertrouwen van de mensen om je heen. Ik kan toch mijn kamer bij deze mensen in hun huis niet gaan afsluiten? Ik doe de deur dan ook niet op slot maar hang het slotje los over de schroefogen. Arman heeft ze er toch niet voor niets ingedraaid?

Ik rijd eerst rustig de grote straat uit. Er wordt geroepen, gezwaaid, gegroet, geschreeuwd en getoeterd. Elke vorm van groeten wordt gebruikt om de vreemdeling welkom te heten op dit kleine eiland Savu. De mensen kijken hun ogen uit! Wat komt hij hier doen? Wie interesseert zich nu in de cultuur van Savu? Of is hij tegen zijn zin op dit eiland gedropt en zal dus een week moeten wachten voordat hij er weer af mag? Ik laat ze denken.

Onder grote aandacht sta ik naar de enorme rollers te kijken, die met veel kabaal op het strand uit elkaar spatten. Hoe is het mogelijk dat ik de tocht op de ferry heb overleefd? De mensen, die eerst uitgebreid naar de zee staarden, kijken mij nu met verbaasde gezichten aan. Ik ben zo te zien interessanter dan de huizenhoge golven in zee. Het zeewater slaat over de hier gebouwde pier. Niemand waagt zich op de aanlegsteiger. Er is, zover mijn oog reikt, geen scheepje in het water te zien. De vissers hebben wijselijk hun vaartuigen ver het strand opgetrokken. En toch doet de zee pogingen om ze mee te nemen. De eerst volgende dagen zal het nog wel blijven spoken. Ik hoop dat de storm over een week tot bedaren is gekomen. Een week bij Arman en zijn familie is leuk, maar twee weken lijkt wat veel op dit kleine eilandje. Ik schat het 25 km. lang en 20 km. breed. Volgens mijn boek wordt het bewoond door zo'n 50.000 inwoners. Ik ben benieuwd of ik ze allemaal binnen een week zal tegenkomen. Savu, in de volksmond Sabu genoemd, wordt nauwelijks door toeristen bezocht. De slechte en gevaarlijke verbindingen met het eiland zijn daar natuurlijk debet aan. Wat valt er eigenlijk te zoeken op Savu? De meeste inwoners zijn christelijk, er is geen bijzondere natuur, er bestaat geen speciale huizenbouwvorm om maar te zwijgen over marapu en monolieten zoals op het eiland Sumba. Vulkanen zijn er niet, prachtige stranden zal je er nauwelijks aantreffen en er is praktisch geen openbaar vervoer. Lopen of de motorfiets is gedurende de meeste maanden de enige vorm van transport vanwege de regens en het daardoor verruïneerde wegennet. Bruggen worden met de regelmaat van de klok weggeslagen, zoals ik later zelf zal ontdekken en overnachten op het eiland is wat problematisch. Ik ben dan ook een week lang de enige niet-autochtoon. Precies wat ik zoek, maar niet altijd eenvoudig. Je bent volledig overgeleverd aan de plaatselijke bevolking en het Bahasa Indonesia mag dan wel een verplicht vak zijn op school, waarom zou je dat gebruiken als iedereen om je heen de plaatselijke taal spreekt? Ik sta dan ook regelmatig met de mond vol tanden. Mijn beperkte beheersing van deze taal is hier nauwelijks van nut.

Mijn eerste nacht hier in Seba verloopt minder goed dan ik hoopte. De slechte ervaringen van de vorige nacht op de ferry spelen mij parten. Ik sla vijf keer om met de boot en verdrink twee maal zo vaak. Ik zie mijn fiets in de bodemloze Savu-zee verdwijnen, ik zie vissen verbaasd naar de drenkelingen kijken en ik hoor vastgebonden varkens huilen. Ik snak vaak naar adem in mijn bed, dat danst op de zee. Het is een rampzalige nacht!

Het is dan ook niet vreemd dat ik bij het wakker worden de volgende morgen een niet al te best humeur heb.Alhoewel ik mij realiseer dat ik veilig in het, van de buren aan de overkant geleende bed lig en dat Arman en zijn vrouw het beste met mij voor hebben, zij weten natuurlijk van de storm, waarin ik verzeild geraakt ben geweest, sta ik te trillen op mijn benen als ik rond een uur of zeven opsta. Mijn ochtendkoffie hoef ik niet zelf te maken. Eén van de meisjes heeft het al voor mij klaar gezet, evenals mijn uitgebreide ontbijt. De rijst, de mie en de gedroogde vis kan ik nauwelijks door mijn keel krijgen. Daarvoor is begrip. Een kop nog sterkere koffie brengt mij na een uur weer bij de levenden. Wat kan een nare ervaring toch een invloed hebben op een mens. Het wordt hoog tijd dat de goede ervaringen hier op het eiland de boventoon gaan voeren. Daarvoor moet ik mijn fiets pakken en er op uit trekken. Mijn praktisch onaangeroerde ontbijt wordt door de familie in een bananenblad verpakt voor onderweg. Ik neem mijn kleine kooktoestelletje, water, een paar sachets koffie en een wat builtjes thee mee. Ook vergeet ik niet mijn bandenreparatieset. Je kan nooit weten hier op de slechte wegen op Savu. Ik ken al een weg van ruim 30 km. die niet te doen was voor een vrachtwagen. Hoe zou het met de andere wegen zijn? Ik heb er een hard hoofd in. Maar met de fiets en weinig bagage kom je over het algemeen een heel eind. Ik neem toch maar een kleine dagrugzak in mijn fietstasjes mee voor het geval ik terug naar huis moet lopen.

Ik word door de familie Algadri uitgezwaaid. De weg het dorp uit is eerst nog redelijk maar al snel is er weinig meer van over. Ik kom dan ook niet snel vooruit. Maar waarom zou ik? Het is hier prachtig mooi! Dichtbij het dorp ligt een vlakte, waar rijstveldjes te vinden zijn. Ik neem aan dat de boer, die van zijn werk opkijkt, al een paar uur geleden begonnen is met de dagelijkse controle van zijn plantage. Ik vraag mij af waarom rijst eigenlijk zo goedkoop is. Een enorm bewerkelijk procédé moet aan het oogsten van een hand vol rijstkorrels vooraf gaan. Maar van deze kleine veldjes kunnen die 50.000 Savunezen toch niet leven? Daarvoor is er de lontarpalm.

De lontarpalm is een palmsoort, die een grote rol speelt in het leven van de Savunees. De "Borassus Sundaicus" gedijt goed in een droog klimaat en wordt zo'n dertig meter hoog. Wat deze palmsoort allemaal niet voortbrengt is ongelofelijk. Uit het afgeknepen gedeelte van de bloeiwijze van de palm stroomt een sap, dat tuak genoemd wordt, palmwijn. Elke keer als de stroom ophoudt, wordt een stukje verder afgeknepen. Zo kan men twee maal per dag de tuak "oogsten", een kleine drie liter per dag en dat gedurende het vijf maanden durende seizoen voor de eerstvolgende dertig jaar! Het sap is heel goed te drinken, zeker na de fermentatie. Het overschot wordt ingekookt en gaat over in een karamelsiroop. Dit is in schaarse tijden het volksvoedsel. Sommige bomen laat men tot bloei komen want de vruchten zijn eetbaar.

Ook het blad wordt gebruikt. Men maakt er kleine en grote manden van, gieters voor op het land, emmers, muren van hutten en zelfs muziekinstrumenten, de sasando. De stam van de boom is goed als bouwmateriaal voor huizen en van de bladnerven maakt men schuttingen. Heel dun gesneden lontarblad wordt zelfs gebruikt als vloeitje voor hun zelfgedraaide sigaret! Kokospalm en bamboe mogen dan wel tot de nuttigste boomsoorten behoren, er gaat niets boven de lontar. Hele volksstammen zijn er van afhankelijk! Hongersnood bestaat niet op Savu dankzij deze palmsoort. Een gave Gods!

Niet ver voorbij de rijstveldjes zie ik een lontarpalmbos. De bomen staan ver uit elkaar, de kronen hoog in de hemel. De onderkant van de stam heeft nog de resten van de oude bladaanhechtingen maar de rest van de stam is kaal en glad.Aan de voet van zo'n wonderboom staat een oude man. Over zijn schouder draagt hij een liaan met een lontarblad-container. Hij is wat laat met de oogst vandaag maar ik heb daarentegen geluk om dit schouwspel te kunnen zien. De man klimt zonder zich te bezeren over de aanhechtingen heen en ik vraag mij af hoe hij daarna verder omhoog komt. Hij blijkt zijn benen enorm hoog te kunnen heffen en zet zijn blote voeten in kleine kuiltjes in de stam. Elk kuiltje is minstens een meter verder dan de vorige. Ongeveer in het midden van de stam houden de kuiltjes op. Hij is nu al zo'n 15 meter van de grond. Ik zal mijn grote telelens op mijn camera moeten schroeven. Met behulp van mijn zoomobjectief zie ik dat vanaf de helft met lianen kleine stenen aan de stam bevestigd zijn. Hierop zet de tuak-tapper zijn voeten, die hij gebruikt alsof het handen zijn. Zijn grote tenen zijn bijna opponeerbaar. Ik heb al eens eerder in Indonesië mensen met hun tenen gevallen bankbiljetten zien oprapen. Hoe is het mogelijk!

Eindelijk boven verdwijnt de oude man in het gebladerte maar ik zie hem nog wel zijn houten tang uit de broekriem halen om de bloeiwijze opnieuw te kneuzen na het verwisselen van het lontarcontainertje. Met een bakje vol tuak komt hij na een tijdje weer naar beneden.Zeer behendig en zonder enige twijfel in zijn bewegingen staat hij na een paar minuten voor mij. Ik sta hem vol bewondering aan te kijken. Natuurlijk moet ik van hem het lontarsap proeven. Een paar slokken zijn niet genoeg volgens hem. Hij ziet mijn waterflessen in de bidonhouders en vraagt of hij ze zal vullen. Ik gooi mijn flessen leeg en laat ze met dit lichtalcoholisch drankje volmaken. Misschien doet het mij goed na zo'n slechte nacht.Nadat hij mijn bel heeft uitgeprobeerd, een fietsbel zie je niet iedere dag op Savu, loopt de man lachend naar de volgende boom, een nieuw containertje over de schouder. Het spel begint weer van voren af aan. Ik heb mijn fotoserie gemaakt en vervolg mijn tocht.

Vanwege de hitte grijp ik iets te vaak naar mijn bidons. Binnen een uur heb ik twee liter tuak op. Ik moet mijzelf af en toe tot de orde roepen. Ik heb al weken geen druppel alcohol in mijn lijf gekregen, zodat de uitwerking des te sterker is. Wat me opvalt is dat ik geneigd ben weer aan de rechterkant van de weg te gaan rijden. Ik rijd al vier maanden links zoals dat in Indonesië gebruikelijk is. Er is ook helemaal geen verkeer, dat mij kan corrigeren!

Ik heb vandaag toch nog 45 km. gefietst voordat ik laat in de middag bij mijn gastgezin terugkom. Mijn ontbijt heb ik rond een uur of drie ergens op een heuvel met prachtig uitzicht op het Savunese landschap opgegeten. Het heeft mij best gesmaakt maar als ik als diner hetzelfde voorgeschoteld krijg heb ik enige weerzin tegen de keiharde, gedroogde visjes. Ik doe mij goed aan de gebakken eieren, de soep en de witte rijst, die ook op tafel staan. Zonder enig commentaar geuit te hebben word mij beloofd de visjes morgen iets langer te weken. Wat een lieve mensen hier!

Dankzij mijn fiets kan ik gedurende de volgende dagen prachtige tochten over Savu maken. Op een dag rijd ik terug naar het strand, waar ik met de motorboot aan land gekomen ben. De weg er heen is inderdaad erg slecht maar een fiets blijkt hier een beter vervoermiddel te zijn dan een open vrachtwagen.Het strandje ligt er verlaten bij. Wel markeer ik met een steen de plaats op het strand, waar de "gelukkigen" het zand hebben gekust. Wie weet wordt dit, zoals vele andere stenen op Savu een heilige steen.

Alhoewel de Savunezen voor het grootste gedeelte protestanten zijn, hangen velen nog de traditionele religie aan. Duidelijk is dat te zien aan rituelen, die verbonden zijn aan de landbouwcyclus. Het kleine eiland Savu wordt zelfs verdeeld in vijf religieuze districten. Ze hebben alle hun eigen priesterlijke hiërarchie en rituele cycli. Je weet echter nooit wanneer er ergens een ceremonie plaats vindt. Met die informatie loopt de autochtoon niet te koop. De invloed van een "buitenstaander" kan slecht uitpakken. Alhoewel ik dus weet van unieke volkscultuuruitingen ben ik niet altijd welkom. Dat merk ik, als ik zonder het te weten, een koffiepauze inlas op "heilige" grond.

Niet ver van Seba ligt in het heuvelland een groot grasveld, bezaaid met enorme stenen. Ovale, gladde rotsblokken van twee meter doorsnee en een meter hoog. Hoe die daar zijn gekomen is mij een raadsel. In mijn onwetendheid zet ik mijn fiets tegen een van de rotsblokken en plaats mijn "comfoor", zoals in Indonesië mijn benzine-kooktoestelletje genoemd wordt, aan de voet van deze steen. Het voorverwarmen geeft even het beeld van een kampvuur maar al snel is de vlam regelbaar. Hierop plaats ik mijn kannetje om mijn koffiewater te koken. Mijn "kampvuurvlammen" zijn echter waargenomen vanuit een niet door mij opgevallen huttendorp.Het ligt dan ook verscholen onder een groepje bomen en minstens 300 meter van mij vandaan. De bevolking ervan is, zoals duidelijk blijkt, zeer verbolgen want er ontstaat een kleine oploop niet ver van mij vandaan. Ik heb geen idee wat ik verkeerd doe maar het geschreeuw en het zwaaien met de armen lijkt mij geen welkomstgroet.

Eén van de bewoners, een jongen van een jaar of 18, maakt zich los van de groep, steekt de kleine rivierbedding over die het dorpje van dit stenenveld scheidt en komt op mij af. Zwaaiend met zijn armen staat hij te schreeuwen. Hij durft niet dichterbij te komen dan zo'n 50 meter. Ik heb nu echt het idee, dat er iets mis is.Mijn water kookt inmiddels. Ik maak snel mijn koffie, pak mijn "komfoor" weer in en leg mijn bagage en mijn fiets een tiental meters van de ovale steen af. Het schreeuwen neemt af maar zijn armen zijn nog niet tot rust gekomen.Om het stenenveld is nergens een afscheiding te zien. Ik neem aan toch op openbaar terrein te zijn. Ik drink mijn koffie op en verlaat na vijf minuten het blijkbaar "heilige" veld. Jammer genoeg heeft de jongen de moed niet gehad om mij toe te spreken. Ik had graag mijn verontschuldigingen aangeboden als ik maar wist wat ik verkeerd had gedaan.

Ik rijd terug naar Seba en vertel Arman over mijn ervaringen. "Ach, Mister Franky, ze stellen zich aan! Dat zijn geen christenen! Dat zijn rare mensen, die deze stenen, de "nada ae", als altaren gebruiken. Bij sommige mensen spelen deze megalieten nog een religieuze rol. Trek het je maar niet aan. Er zijn nog een paar "orang gilah" hier op het eiland." Vrij vertaald betekent dat "gekke mensen". Ik ben gerustgesteld maar had graag geweten wat dit "gekke" inhield. Dat kan Arman mij niet uitleggen. Hij heeft de traditionele cultuur jammer genoeg vaarvel gezegd. In de jaren vijfig, lees ik in mijn literatuur over dit eiland, was nog maar 30 % christen. Arman en zijn vrouw zijn duidelijk van later datum. Zij zijn ondertussen beïnvloed door de oprukkende kerk. Jammer is dat eigenlijk. Ik had hem als goede informant over de traditionele cultuur hier op zijn eiland gezien. Hoe hij over traditie spreekt, is geen voer voor cultureel antropologen. Alhoewel ik daar zeker niet toe behoor, stel ik wel interesse in de plaatselijke cultuur. Ik zal dan ook iemand anders moeten vinden, die mij de gewenste informatie zal geven. Dat blijkt een moeilijke opgave te zijn, die ik mijzelf stel. De traditioneel denkende mens houdt graag zijn ideeën voor zich en de vrijelijk sprekende Savunees in een protestant.

Een andere dag fiets ik richting Tandjung Mesara, de zuidwestelijke punt van het eilandje. Na wat minder vriendelijke ervaringen met de plaatselijke steenhakkers, waarvan ik hun van lontarpalm gemaakte "vergruishutje" gebruik om er tijdens een flinke regenbui onder te schuilen, kom ik in een klein dorpje aan de kust. De naam ervan heb ik nergens kunnen ontdekken en de autochtonen hebben geweigerd het mij te zeggen. Een wat vreemde situatie. Toch ben ik getuige van een deel van een speciale ceremonie hier op Savu. Het is de "Bui Ihi Hole", een traditionele ceremonie van het Mahara-volk hier op Savu. Men beeldt er gelukwens en dankbaarheid tegenover de schepper mee uit na de oogst.

Tegenover de kerk ligt een volleybalveld, kompleet met net. Een goede plaats om mijn fiets te parkeren. Op slot zetten doe ik hem niet. Dat is tegen de regels. Men laat mij begaan.Ik stel mij op aan de rand van een parcours, dat naast het volleybalveld ligt. Op dit parcours rijdt een twintigtal uitgedoste paarden rond. Op hun ruggen zitten in vrouwenkleren gestoken mannen. Een wat vreemd schouwspel. Zonder bemoeienis van de aanwezigen kan ik uitgebreid dit "paardjerijden" fotograferen. Alhoewel ik de aandacht van de omstanders wegneem van het paraderen, alleen de ouderen bekijken nog het schouwspel terwijl de jeugd zich op het bestuderen van mij toelegt, voel ik mij niet opgelaten. De parade wordt begeleid door een kleine groep muzikanten. Gongs en trommels zorgen voor het auditieve aspect. Het doet mij een beetje denken aan een draaimolen op een kermis. Een jockey heeft de leidsels in de hand en af en toe rijdt er iemand anders een rondje mee. Maar dan alleen als je als man in vrouwenkleren bent gestoken. Is hier sprake van openbare travestie of moet het meer gezien worden in de context van de vrouw als vruchtbaarheidssymbool? Ik neem aan dat het laatste bedoeld wordt.

Na een uur is er weinig veranderd in de situatie. Ik vervolg dan ook mijn weg. Ik moet wel door enkele rivieren waden wil ik tot aan Tandjung Mesara rijden. Ik ben het ondertussen al gewend.

Een tiental kilometers verder heb ik behoefte aan een pauze. Vanaf mijn stopplaats heb ik een magnifiek uitzicht over de Straat Raijua, de waterscheiding tussen Savu en het eilandje Raijua. Ver in zee zie ik het eilandje liggen. Dit Raijua wordt als bron beschouwd van Savu's traditionele religie. Dit houdt in dat alle gebruiken rond bovennatuurlijke zaken afkomstig zijn van dit kleine eiland. Een heiligdom op zich!

Op de top van de heuvel maak ik koffie en geniet van dit bijzonder mooie uitzicht. Aan de voet van de heuvel ligt een klein dorp. Ik neem aan dat het Lobohede is, maar zeker ben ik er niet van. Ik zal er nooit komen. Toch word ik uitgenodigd om er een kijkje te nemen.

Tijdens mijn pauze komen drie mannen het pad aflopen. Al vanaf ver zie ik er een met zijn armen zwaaien. De betekenis hiervan doet mij sterk denken aan mijn ervaringen bij de "nada ae", de rituele altaren, die dus niet positief in mijn gedachte gegrift zijn. Dan staan de drie mannen voor mij. Een komt op mij af en omarmt mij.Ik schrik maar het is goed bedoeld. Ik heb te laat in de gaten, dat deze man de eigenaar is van een eetstal in Kupang. In deze eetstal heb ik wel tien maal mijn avondeten gehad tijdens mijn verblijf in Kupang. Ik heb daar elke keer met hem en zijn mooie vrouw mijn Bahasa Indonesia kunnen oefenen. We hebben veel plezier gehad met zijn drieën. Zoveel dat de gasten zich wel eens licht geergerd hebben omdat hun eten niet op tijd voor hun neus stond. Dan herinner ik mij plotseling dat hij mij verteld heeft dat hij van origine van Savu komt. Zijn mooie vrouw is Rotinese. Samen zijn ze een eetstal begonnen in Kupang op Timor. Vandaar de naam van hun eetstal: "Tirosa", Timor, Roti en Savu. Wat een kleine wereld!

Hij nodigt mij uit met zijn kornuiten naar Lobohede te gaan voor een gezellig gesprek. Ik zou dat graag doen maar ik moet voor het donker in Seba terug zijn. De familie Agadri zal zich wel afvragen waar ik blijf. Het is al rond drie uur en ik ben een kleine 20 km. van mijn onderdak verwijderd. Wetende van de oversteek door de rivier en het moeten passeren van de "Bui Ihi Hole"-ceremonie moet ik helaas deze uitnodiging afslaan. Ik heb de resterende tijd wel nodig op thuis te komen.

Na het doorwaden van de rivier moet ik door het dorpje van de festiviteiten heen. Deels is het nog aan de gang, deels zie ik ruiters richting Seba gaan. Daar moet ik ook heen. Ik word kilometers lang begeleid door deze aanstellerige, opgeschoten menners. Erg vriendelijk zijn zij niet. Ze halen me in en laten me weer voorbij. Misschien zijn ze een beetje beledigd door mijn aanwezigheid en het weghalen van de aandacht tijdens het rondjes rijden op het parcours. Ik krijg maar geen hoogte van de traditionele Savunees. Of moet ik deze knapen zien als ingehuurd voor een traditionele uiting, terwijl zij liever rondscheuren op een Yamaha of Honda motorfiets? Ik laat ze rustig hun gang gaan om me een beetje plagen. Met een lach nemen we uiteindelijk bij een T-splitsing afscheid van elkaar. Het is op het randje van donker worden als ik Seba inrijd en mij weer meld bij mijn familie. Het eten staat al op tafel. Ik kan direct aanschuiven.

Tijdens mijn diner vraagt Arman of hij even naast mij mag zitten. Ik bespeur in hem wat onrust en stem dus toe. Hij begint over de vergoeding, die ik per dag aan hem moet betalen. Om de dag betaal ik hem datgene wat hem toekomt. Morgen is het weer betaaldag maar misschien wil hij eerder zijn geld hebben om het eten te kunnen betalen? Ik zit er met mijn gedachten, zoals vaak hier in Indonesië, weer helemaal naast. Ik betaal hem eigenlijk te veel, zo legt Arman mij uit. Daar ben ik even stil van. Hoezo te veel? Ik overstelp hem met dank voor mijn onderdak en voor mijn maaltijden. Dat is het hem juist, de maaltijden. "Mister Franky, u betaalt 10.000 Rupiah per dag voor "indekos" maar u eet alleen maar in de ochtend en in de avond hier. Uw lunch, waarvoor u betaald heeft, gebruikt u helemaal niet. U bent elke dag op pad. We zitten daar een beetje mee. We stellen u voor om 2000 Rupiah per dag van de rekening af te trekken." Wat moet ik hier nu mee? Ze overstelpen me met luxe volgens de plaatselijke regels en maken zich ondertussen zorgen dat ik ze te veel betaal. Toch duidelijk anders dan in Nederland de gewoonte is.

Ik stel Arman gerust. Ik ben hem en zijn familie eigenlijk veel méér schuldig. De fantastische opvang na mijn angstige ferrytocht, het elke dag klaarleggen van vers fruit, het aanvullen van koffie, thee en suiker en het opdienen van uitstekend eten, ondanks de tekorten op de plaatselijke markt. Hoe kan je iemand zoals Arman daarvan overtuigen? Een praktisch ondoenlijke zaak.

Het kost me dan ook veel moeite na mijn week hier op Savu, gevuld met zeer interessante ervaringen, zeker dankzij de familie Algadri, hen een paar extra biljetten van 10.000Rupiah bovenop de rekening te overhandigen. Dat mag helemaal niet!

De familie begeleidt mij tot aan de pier, waar vandaag de ferry vertrekt richting Kupang. De zee is weer kalm en ik verwacht een goede vaart. Totdat het schip vertrekt probeert Arman mij te overtuigen van het feit, dat er sommige Savunezen dan wel "gilah", gek zijn, maar dat Mister Franky nu wel de kroon spant. Ik laat het er bij. Ik voel me uitstekend na Savu!


Een week op Savu
© Frank van den Berge
World Picture Service
Ik ben net met twintig andere passagiers en mijn fiets in een vijf meter lange motorboot aan land gebracht. De ferry, die mij keurig in het haventje van Seba, het hoofdstadje aan de noordkust van het eiland Savu gelegen, zou afleveren, is niet in staat de kleine haven binnen te varen vanwege de hoge golven door de zware storm, waarin wij ons de laatste uren tegen wil en dank hebben begeven. Het schip zou direct door de pier heen slaan en op het strand gegooid worden. De golven zijn dan ook huizenhoog. Vandaar dat de ferry koers heeft gezet naar de zuidkust van Savu om daar in de lijzijde van de storm voor anker te gaan. Een groot koraalrif hier maakt het onmogelijk dichter dan twee kilometer bij de kust te komen, zodat vanuit het strand diverse motorbooteigenaren hun kans schoon zien om in een dag rijk te worden. Zij trotseren de ook hier nog hoge golven en koersen naar de ferry. Daar pikken ze de geheel ontredderde passagiers op. Gelukkig staan er geen auto's op het dek. Die zouden dan tot het gaan liggen van de storm moeten wachten en dat kan nog wel dagen duren.

Ieder heeft zo zijn eigen bagage bij zich. Mijn grote tas waarin al mijn bezittingen zitten en mijn fiets kunnen nog wel eenvoudig naar beneden gelaten worden om in het motorbootje een plaats te vinden. Trossen levende kippen, enorme balen rijst en maïs en de levende hangbuikzwijnen leveren wat meer problemen op. In Indonesië kan echter alles, zodat ik met fiets en al tussen twintig mensen en de geknevelde levende have kom te zitten. Ik voel me als in een sadomasochistische kinderboerderij. Wat een dierenleed!

Als verzopen katten stappen de mensen een kwartier later, doorweekt van het opspattende zeewater de motorboot uit en waden de laatste meters naar het strandje. Ik zie sommigen het zand kussen als dank voor het veilig aan land komen na de verschrikkelijke storm van vannacht. Ik heb er ook geen leuke herinneringen aan. Zelf heb ik met een reddingsvest aan in de passagiersruimte op de grond gelegen. Zitten was er niet meer bij. Lege colaflesjes schoten als projectielen over de grond van links naar rechts en terug als we weer de speelbal waren van een hoge golf. Tijd om je ziek te voelen was er niet. Je had andere dingen aan je hoofd.

Daar staan we dan na een klein uur met alle ferrypassagiers tezamen op het kleine strand, hier aan de zuidkust van Savu. Ik heb dan wel als enige mijn eigen vervoermiddel bij me, maar het is nog maar de vraag of ik die dertig kilometer naar Seba zonder problemen zou kunnen afleggen. De autochtonen waarschuwen me voor de zeer slechte staat, waarin de weg verkeert. Een grote, open vrachtwagen zal diegenen, die verder wonen dan vijf kilometer van dit strand naar huis brengen. Gelukkig blijven er niet zoveel mensen over.

Met zo'n 30 man, een fiets, 2 varkens, een paar trossen kippen en heel veel bagage waaronder complete aandrijfassen van de vrachtwagen achter in de laadbak, vertrekken we uiteindelijk. We moeten ons aan elkaar vasthouden. Het lijkt alsof wij nog niet uit de storm zijn. De vrachtwagen schommelt bijna even veel als de ferry op de golven! De weg is dan ook bar slecht.Van asfalt is hier geen sprake. De spaarzame trucks, die op het eiland rijden hebben samen met de moesson de weg totaal aan flarden gereden. Zijn wij net niet met de boot omgeslagen, met de auto was het bijna wel zo ver. We weten gelukkig allen naar de goede kant van de vrachtwagen over te hellen. Wat is dit een ramp! Had ik op het strand toch maar de stoute schoenen aangetrokken en was ik toch maar per rijwiel naar Seba gegaan. Ik had dan wel stukken moeten lopen, maar zonder gevaar om geplet te kunnen worden tussen een vrachtwagen en Savunees grondgebied.

Na een enerverende maar eigenlijk prachtige tocht komen we aan in Seba. De autochtonen zoeken hun familie op. Ik sta daar ziels alleen in de hoofdstraat van Seba. Een halve kilometer lange straat, waaraan aan beide kanten huisjes en winkeltjes staan, loopt vanaf een belangrijke kruising tot aan de haven. Ik zie dan ook in de verte enorme hoge golven op het strand en tegen de pier beuken. Het waait hier hard en ik voel me niet echt op mijn gemak. Hoe kom ik weer veilig van dit eiland af? Volgens de mij bekende gegevens is men verplicht minstens een week hier te blijven. De boot terug naar Sumba, waar ik net vandaan kom en de boot naar Kupang op Timor, de ander kant op, gaan eenmaal per week op dezelfde dag en dat is vandaag. Ik neem aan dat de boot uit Kupang naar hier vanwege de storm niet eens vertrokken is. Ik zie in de verte nergens een ferry liggen. Wel zie ik een haag mensen op het strand, die naar de enorme rollers staan te kijken. Een deel van de met stenen versterkte kade is weggespoeld. Het moet vannacht ook hier erg tekeer zijn gegaan. Straks zal ik eens beter gaan kijken. Eerst moet ik maar eens een slaapplaats zien te vinden.

Mijn fiets en de grote tas laat ik tijdelijk in een kleine winkel achter en ga lopend de straat door. Er is geen bord te zien met het opschrift "Hotel". Zelfs geen penginapan of pondok, de meest eenvoudige slaapgelegenheden in Indonesië, is hier te vinden. Ik zal dan toch bij iemand moeten aanbellen om te vragen of ik er mag slapen. Ik ga terug naar mijn fiets en vraag de winkeleigenaar om een slaapplaats. Die heeft hij niet maar ik moet maar eens bij zijn vriend Arman vragen, het laatste huis links voor de kruising.

Lopend naast mijn fiets kom ik aan bij de familie Algadri. Arman staat buiten op de stoep. Hij spreekt slechts drie woorden Engels maar toch ik kan hem duidelijk maken dat ik van plan ben hier een week te blijven en dus onderdak zoek. Hij verontschuldigt zich en vraagt mij hem te volgen. We lopen naar een ander huis.

De vrouw des huizes vertelt Arman dat het haar nu eigenlijk niet goed uitkomt. Zij verwacht een aantal veldwerkers van de regering. Waar blijft een slaapplaats voor mij, schiet mij maar door het hoofd. De vrouw, die waarschijnlijk de enige is, die officieel een kamer aan een vreemdeling mag verhuren, geeft bij het bemerken van mijn zorgen ter plekke toestemming aan Arman om mij te huisvesten. Dat komt hem goed uit. Hij kan wel een extra zakcent gebruiken. Hij begeleidt mij weer naar zijn woning en biedt mij nederig een lege kamer aan. Dat vind ik al heel wat in deze negorij, want het stelt hier allemaal niet veel voor.Wat jonge knapen scheuren op hun motorfiets de straat door maar de huizen zijn trieste onderkomens van bamboe of lelijk beton met een golfplaten dak erop. Mijn lege kamer bewijst dit nog eens. Ik accepteer mijn nachtelijk verblijf maar moet ik op de grond slapen of is er ergens in Seba een matras te vinden? Ik hoef mij geen zorgen te maken. Een stoel wordt voor mij klaar gezet, ik krijg een glas koffie en ondertussen is Arman druk bezig het de onverwachte gast zo comfortabel mogelijk te maken.

Uit een woning aan de overkant wordt een matras gehaald. Vanuit de enige stroomdraad in het huisje wordt een aftapping gemaakt en binnen een mum van tijd heb ik een nog niet brandend peertje in de nog enigszins lege ruimte. In de deur van de kamer worden aan de binnen- en buitenkant schroefogen gedraaid en een hangslotje wordt bij de naastliggende winkel geleend. Een prachtige ikat-doek is door zijn vrouw uit de linnenkast gehaald en wordt in de deuropening gehangen, afgesloten voor het zicht maar toch frisse lucht. In het halletje, waar de kamer op uitkomt, staat intussen een tafel met een thermosfles warm water, een paar theebuiltjes, een paar zakjes koffie en een glas vol suiker. "Bedient u zichzelf, alstublieft. Ik haal zo wat bananen en sinaasappelen. En voor eten zorgen wij ook! U bent bij ons "indekos".

Ik weet niet hoe ik moet reageren. Ik sta verbaasd over deze actie van Arman en zijn vrouw, die zich nu ook aan mij heeft voorgesteld. Ik schat ze beiden rond de 35 jaar oud. Een klein ventje scharrelt wat rond op een half stuk speelgoedfietsje. Ik neem aan dat het hun zoontje is. Er zijn ook twee jonge meisjes in het huis, maar die zijn "in dienst" bij de familie Algadri. Die koken, wassen en doen dus ook maar meteen de rest. Heel verlegen geven ze me een hand omdat dat moet. Bij elke nies staan ze voor me. Dat is iets te veel van het goede. Ik ben geen koloniaal!

Ik word gevraagd mijn fiets in mijn kamer te zetten. Niet zozeer vanwege diefstal, maar hun "kleine vent" is zijn nieuwe wereld aan het ontdekken. Je weet nooit wat hij van mijn fiets schroeft om het aan zijn vader te laten zien. Er is nog ruimte genoeg in mijn kamer. Er ligt alleen een keurig opgemaakt matras op de grond. Vanaf zes uur zal ik aan het peertje moeten draaien om licht in mijn onderkomen te krijgen. Een snoerschakelaar is in Seba niet te vinden. Het lijkt mij ook niet echt nodig. Los- en vastdraaien van het lampje gaat ook.

Alhoewel ik met deze hele actie zeer content ben, vraag ik mij na een tijdje af wat de heer Algadri mij zal vragen als onkostenvergoeding voor deze luxe. Ik loop op hem af, maak eerst duidelijk dat ik dit alles zeer waardeer, maar dat hier op het hele eiland Savu geen banken zijn, waar ik even geld kan wisselen en dat ik het minimaal een week moet kunnen uithouden met de Indonesische Rupiah's, die ik in mijn portemonnee heb. Dat lijkt wel een heleboel, maar het heeft wat weg van Monopolygeld. Tienduizend Rupiah staat gelijk aan f7,50!En dat is nu precies wat Arman mij per dag vraagt. Zeven gulden vijftig per nacht. Ik heb wel eens goedkoper geslapen, maar hier zijn geen toeristen, dus de prijzen liggen wat hoger. Een eigenlijk vreemde manier van prijsbepaling.Waar veel toeristen komen zijn de hotels goedkoop, waar niemand komt liggen de prijzen hoger. Geen concurrentie dus een monopolie. Vandaar deze wat hogere prijs dan ik gewend ben, maar veel is het natuurlijk niet!

En hoeveel kost mij een maaltijd? Ik moet toch minstens drie keer per dag eten als ik hier op Savu een paar flinke fietstochten wil gaan maken. "Maar mijn beste reiziger, u bent toch in de kost? Tienduizend Rupiah voor slapen, drie maaltijden en naar behoefte koffie, thee en fruit".Hiervan word ik even stil. En ik maar denken dat hij de prijs wat opgeschroefd heeft vanwege die ene toerist per maand. Ik ben dus voor f7,50 volledig in de kost. Hoe is het mogelijk? Ik begin nu langzamerhand te begrijpen waarom een Indonesiër nooit rijk zal worden. Tenminste, niet dit soort mensen. Hij is duidelijk blij dat ik niet protesteer en een andere kamerga zoeken. Waarom zou ik ook?

Het is nu rond de klok van 2 uur en ik heb dus nog een paar uur om de omgeving te ontdekken voordat de duisternis invalt. De schemering is hier kort zo vlakbij de evenaar. De zon gaat hier loodrecht naar beneden.Ik pak mijn fiets en heb moeite met het afsluiten van mijn kamer. Op mijn reis heb ik zelfs al vele Indonesiërs beledigd door mijn fiets op slot te zetten. Dat geeft blijk van het niet vertrouwen van de mensen om je heen. Ik kan toch mijn kamer bij deze mensen in hun huis niet gaan afsluiten? Ik doe de deur dan ook niet op slot maar hang het slotje los over de schroefogen. Arman heeft ze er toch niet voor niets ingedraaid?

Ik rijd eerst rustig de grote straat uit. Er wordt geroepen, gezwaaid, gegroet, geschreeuwd en getoeterd. Elke vorm van groeten wordt gebruikt om de vreemdeling welkom te heten op dit kleine eiland Savu. De mensen kijken hun ogen uit! Wat komt hij hier doen? Wie interesseert zich nu in de cultuur van Savu? Of is hij tegen zijn zin op dit eiland gedropt en zal dus een week moeten wachten voordat hij er weer af mag? Ik laat ze denken.

Onder grote aandacht sta ik naar de enorme rollers te kijken, die met veel kabaal op het strand uit elkaar spatten. Hoe is het mogelijk dat ik de tocht op de ferry heb overleefd? De mensen, die eerst uitgebreid naar de zee staarden, kijken mij nu met verbaasde gezichten aan. Ik ben zo te zien interessanter dan de huizenhoge golven in zee. Het zeewater slaat over de hier gebouwde pier. Niemand waagt zich op de aanlegsteiger. Er is, zover mijn oog reikt, geen scheepje in het water te zien. De vissers hebben wijselijk hun vaartuigen ver het strand opgetrokken. En toch doet de zee pogingen om ze mee te nemen. De eerst volgende dagen zal het nog wel blijven spoken. Ik hoop dat de storm over een week tot bedaren is gekomen. Een week bij Arman en zijn familie is leuk, maar twee weken lijkt wat veel op dit kleine eilandje. Ik schat het 25 km. lang en 20 km. breed. Volgens mijn boek wordt het bewoond door zo'n 50.000 inwoners. Ik ben benieuwd of ik ze allemaal binnen een week zal tegenkomen. Savu, in de volksmond Sabu genoemd, wordt nauwelijks door toeristen bezocht. De slechte en gevaarlijke verbindingen met het eiland zijn daar natuurlijk debet aan. Wat valt er eigenlijk te zoeken op Savu? De meeste inwoners zijn christelijk, er is geen bijzondere natuur, er bestaat geen speciale huizenbouwvorm om maar te zwijgen over marapu en monolieten zoals op het eiland Sumba. Vulkanen zijn er niet, prachtige stranden zal je er nauwelijks aantreffen en er is praktisch geen openbaar vervoer. Lopen of de motorfiets is gedurende de meeste maanden de enige vorm van transport vanwege de regens en het daardoor verruïneerde wegennet. Bruggen worden met de regelmaat van de klok weggeslagen, zoals ik later zelf zal ontdekken en overnachten op het eiland is wat problematisch. Ik ben dan ook een week lang de enige niet-autochtoon. Precies wat ik zoek, maar niet altijd eenvoudig. Je bent volledig overgeleverd aan de plaatselijke bevolking en het Bahasa Indonesia mag dan wel een verplicht vak zijn op school, waarom zou je dat gebruiken als iedereen om je heen de plaatselijke taal spreekt? Ik sta dan ook regelmatig met de mond vol tanden. Mijn beperkte beheersing van deze taal is hier nauwelijks van nut.

Mijn eerste nacht hier in Seba verloopt minder goed dan ik hoopte. De slechte ervaringen van de vorige nacht op de ferry spelen mij parten. Ik sla vijf keer om met de boot en verdrink twee maal zo vaak. Ik zie mijn fiets in de bodemloze Savu-zee verdwijnen, ik zie vissen verbaasd naar de drenkelingen kijken en ik hoor vastgebonden varkens huilen. Ik snak vaak naar adem in mijn bed, dat danst op de zee. Het is een rampzalige nacht!

Het is dan ook niet vreemd dat ik bij het wakker worden de volgende morgen een niet al te best humeur heb.Alhoewel ik mij realiseer dat ik veilig in het, van de buren aan de overkant geleende bed lig en dat Arman en zijn vrouw het beste met mij voor hebben, zij weten natuurlijk van de storm, waarin ik verzeild geraakt ben geweest, sta ik te trillen op mijn benen als ik rond een uur of zeven opsta. Mijn ochtendkoffie hoef ik niet zelf te maken. Eén van de meisjes heeft het al voor mij klaar gezet, evenals mijn uitgebreide ontbijt. De rijst, de mie en de gedroogde vis kan ik nauwelijks door mijn keel krijgen. Daarvoor is begrip. Een kop nog sterkere koffie brengt mij na een uur weer bij de levenden. Wat kan een nare ervaring toch een invloed hebben op een mens. Het wordt hoog tijd dat de goede ervaringen hier op het eiland de boventoon gaan voeren. Daarvoor moet ik mijn fiets pakken en er op uit trekken. Mijn praktisch onaangeroerde ontbijt wordt door de familie in een bananenblad verpakt voor onderweg. Ik neem mijn kleine kooktoestelletje, water, een paar sachets koffie en een wat builtjes thee mee. Ook vergeet ik niet mijn bandenreparatieset. Je kan nooit weten hier op de slechte wegen op Savu. Ik ken al een weg van ruim 30 km. die niet te doen was voor een vrachtwagen. Hoe zou het met de andere wegen zijn? Ik heb er een hard hoofd in. Maar met de fiets en weinig bagage kom je over het algemeen een heel eind. Ik neem toch maar een kleine dagrugzak in mijn fietstasjes mee voor het geval ik terug naar huis moet lopen.

Ik word door de familie Algadri uitgezwaaid. De weg het dorp uit is eerst nog redelijk maar al snel is er weinig meer van over. Ik kom dan ook niet snel vooruit. Maar waarom zou ik? Het is hier prachtig mooi! Dichtbij het dorp ligt een vlakte, waar rijstveldjes te vinden zijn. Ik neem aan dat de boer, die van zijn werk opkijkt, al een paar uur geleden begonnen is met de dagelijkse controle van zijn plantage. Ik vraag mij af waarom rijst eigenlijk zo goedkoop is. Een enorm bewerkelijk procédé moet aan het oogsten van een hand vol rijstkorrels vooraf gaan. Maar van deze kleine veldjes kunnen die 50.000 Savunezen toch niet leven? Daarvoor is er de lontarpalm.

De lontarpalm is een palmsoort, die een grote rol speelt in het leven van de Savunees. De "Borassus Sundaicus" gedijt goed in een droog klimaat en wordt zo'n dertig meter hoog. Wat deze palmsoort allemaal niet voortbrengt is ongelofelijk. Uit het afgeknepen gedeelte van de bloeiwijze van de palm stroomt een sap, dat tuak genoemd wordt, palmwijn. Elke keer als de stroom ophoudt, wordt een stukje verder afgeknepen. Zo kan men twee maal per dag de tuak "oogsten", een kleine drie liter per dag en dat gedurende het vijf maanden durende seizoen voor de eerstvolgende dertig jaar! Het sap is heel goed te drinken, zeker na de fermentatie. Het overschot wordt ingekookt en gaat over in een karamelsiroop. Dit is in schaarse tijden het volksvoedsel. Sommige bomen laat men tot bloei komen want de vruchten zijn eetbaar.

Ook het blad wordt gebruikt. Men maakt er kleine en grote manden van, gieters voor op het land, emmers, muren van hutten en zelfs muziekinstrumenten, de sasando. De stam van de boom is goed als bouwmateriaal voor huizen en van de bladnerven maakt men schuttingen. Heel dun gesneden lontarblad wordt zelfs gebruikt als vloeitje voor hun zelfgedraaide sigaret! Kokospalm en bamboe mogen dan wel tot de nuttigste boomsoorten behoren, er gaat niets boven de lontar. Hele volksstammen zijn er van afhankelijk! Hongersnood bestaat niet op Savu dankzij deze palmsoort. Een gave Gods!

Niet ver voorbij de rijstveldjes zie ik een lontarpalmbos. De bomen staan ver uit elkaar, de kronen hoog in de hemel. De onderkant van de stam heeft nog de resten van de oude bladaanhechtingen maar de rest van de stam is kaal en glad.Aan de voet van zo'n wonderboom staat een oude man. Over zijn schouder draagt hij een liaan met een lontarblad-container. Hij is wat laat met de oogst vandaag maar ik heb daarentegen geluk om dit schouwspel te kunnen zien. De man klimt zonder zich te bezeren over de aanhechtingen heen en ik vraag mij af hoe hij daarna verder omhoog komt. Hij blijkt zijn benen enorm hoog te kunnen heffen en zet zijn blote voeten in kleine kuiltjes in de stam. Elk kuiltje is minstens een meter verder dan de vorige. Ongeveer in het midden van de stam houden de kuiltjes op. Hij is nu al zo'n 15 meter van de grond. Ik zal mijn grote telelens op mijn camera moeten schroeven. Met behulp van mijn zoomobjectief zie ik dat vanaf de helft met lianen kleine stenen aan de stam bevestigd zijn. Hierop zet de tuak-tapper zijn voeten, die hij gebruikt alsof het handen zijn. Zijn grote tenen zijn bijna opponeerbaar. Ik heb al eens eerder in Indonesië mensen met hun tenen gevallen bankbiljetten zien oprapen. Hoe is het mogelijk!

Eindelijk boven verdwijnt de oude man in het gebladerte maar ik zie hem nog wel zijn houten tang uit de broekriem halen om de bloeiwijze opnieuw te kneuzen na het verwisselen van het lontarcontainertje. Met een bakje vol tuak komt hij na een tijdje weer naar beneden.Zeer behendig en zonder enige twijfel in zijn bewegingen staat hij na een paar minuten voor mij. Ik sta hem vol bewondering aan te kijken. Natuurlijk moet ik van hem het lontarsap proeven. Een paar slokken zijn niet genoeg volgens hem. Hij ziet mijn waterflessen in de bidonhouders en vraagt of hij ze zal vullen. Ik gooi mijn flessen leeg en laat ze met dit lichtalcoholisch drankje volmaken. Misschien doet het mij goed na zo'n slechte nacht.Nadat hij mijn bel heeft uitgeprobeerd, een fietsbel zie je niet iedere dag op Savu, loopt de man lachend naar de volgende boom, een nieuw containertje over de schouder. Het spel begint weer van voren af aan. Ik heb mijn fotoserie gemaakt en vervolg mijn tocht.

Vanwege de hitte grijp ik iets te vaak naar mijn bidons. Binnen een uur heb ik twee liter tuak op. Ik moet mijzelf af en toe tot de orde roepen. Ik heb al weken geen druppel alcohol in mijn lijf gekregen, zodat de uitwerking des te sterker is. Wat me opvalt is dat ik geneigd ben weer aan de rechterkant van de weg te gaan rijden. Ik rijd al vier maanden links zoals dat in Indonesië gebruikelijk is. Er is ook helemaal geen verkeer, dat mij kan corrigeren!

Ik heb vandaag toch nog 45 km. gefietst voordat ik laat in de middag bij mijn gastgezin terugkom. Mijn ontbijt heb ik rond een uur of drie ergens op een heuvel met prachtig uitzicht op het Savunese landschap opgegeten. Het heeft mij best gesmaakt maar als ik als diner hetzelfde voorgeschoteld krijg heb ik enige weerzin tegen de keiharde, gedroogde visjes. Ik doe mij goed aan de gebakken eieren, de soep en de witte rijst, die ook op tafel staan. Zonder enig commentaar geuit te hebben word mij beloofd de visjes morgen iets langer te weken. Wat een lieve mensen hier!

Dankzij mijn fiets kan ik gedurende de volgende dagen prachtige tochten over Savu maken. Op een dag rijd ik terug naar het strand, waar ik met de motorboot aan land gekomen ben. De weg er heen is inderdaad erg slecht maar een fiets blijkt hier een beter vervoermiddel te zijn dan een open vrachtwagen.Het strandje ligt er verlaten bij. Wel markeer ik met een steen de plaats op het strand, waar de "gelukkigen" het zand hebben gekust. Wie weet wordt dit, zoals vele andere stenen op Savu een heilige steen.

Alhoewel de Savunezen voor het grootste gedeelte protestanten zijn, hangen velen nog de traditionele religie aan. Duidelijk is dat te zien aan rituelen, die verbonden zijn aan de landbouwcyclus. Het kleine eiland Savu wordt zelfs verdeeld in vijf religieuze districten. Ze hebben alle hun eigen priesterlijke hiërarchie en rituele cycli. Je weet echter nooit wanneer er ergens een ceremonie plaats vindt. Met die informatie loopt de autochtoon niet te koop. De invloed van een "buitenstaander" kan slecht uitpakken. Alhoewel ik dus weet van unieke volkscultuuruitingen ben ik niet altijd welkom. Dat merk ik, als ik zonder het te weten, een koffiepauze inlas op "heilige" grond.

Niet ver van Seba ligt in het heuvelland een groot grasveld, bezaaid met enorme stenen. Ovale, gladde rotsblokken van twee meter doorsnee en een meter hoog. Hoe die daar zijn gekomen is mij een raadsel. In mijn onwetendheid zet ik mijn fiets tegen een van de rotsblokken en plaats mijn "comfoor", zoals in Indonesië mijn benzine-kooktoestelletje genoemd wordt, aan de voet van deze steen. Het voorverwarmen geeft even het beeld van een kampvuur maar al snel is de vlam regelbaar. Hierop plaats ik mijn kannetje om mijn koffiewater te koken. Mijn "kampvuurvlammen" zijn echter waargenomen vanuit een niet door mij opgevallen huttendorp.Het ligt dan ook verscholen onder een groepje bomen en minstens 300 meter van mij vandaan. De bevolking ervan is, zoals duidelijk blijkt, zeer verbolgen want er ontstaat een kleine oploop niet ver van mij vandaan. Ik heb geen idee wat ik verkeerd doe maar het geschreeuw en het zwaaien met de armen lijkt mij geen welkomstgroet.

Eén van de bewoners, een jongen van een jaar of 18, maakt zich los van de groep, steekt de kleine rivierbedding over die het dorpje van dit stenenveld scheidt en komt op mij af. Zwaaiend met zijn armen staat hij te schreeuwen. Hij durft niet dichterbij te komen dan zo'n 50 meter. Ik heb nu echt het idee, dat er iets mis is.Mijn water kookt inmiddels. Ik maak snel mijn koffie, pak mijn "komfoor" weer in en leg mijn bagage en mijn fiets een tiental meters van de ovale steen af. Het schreeuwen neemt af maar zijn armen zijn nog niet tot rust gekomen.Om het stenenveld is nergens een afscheiding te zien. Ik neem aan toch op openbaar terrein te zijn. Ik drink mijn koffie op en verlaat na vijf minuten het blijkbaar "heilige" veld. Jammer genoeg heeft de jongen de moed niet gehad om mij toe te spreken. Ik had graag mijn verontschuldigingen aangeboden als ik maar wist wat ik verkeerd had gedaan.

Ik rijd terug naar Seba en vertel Arman over mijn ervaringen. "Ach, Mister Franky, ze stellen zich aan! Dat zijn geen christenen! Dat zijn rare mensen, die deze stenen, de "nada ae", als altaren gebruiken. Bij sommige mensen spelen deze megalieten nog een religieuze rol. Trek het je maar niet aan. Er zijn nog een paar "orang gilah" hier op het eiland." Vrij vertaald betekent dat "gekke mensen". Ik ben gerustgesteld maar had graag geweten wat dit "gekke" inhield. Dat kan Arman mij niet uitleggen. Hij heeft de traditionele cultuur jammer genoeg vaarvel gezegd. In de jaren vijfig, lees ik in mijn literatuur over dit eiland, was nog maar 30 % christen. Arman en zijn vrouw zijn duidelijk van later datum. Zij zijn ondertussen beïnvloed door de oprukkende kerk. Jammer is dat eigenlijk. Ik had hem als goede informant over de traditionele cultuur hier op zijn eiland gezien. Hoe hij over traditie spreekt, is geen voer voor cultureel antropologen. Alhoewel ik daar zeker niet toe behoor, stel ik wel interesse in de plaatselijke cultuur. Ik zal dan ook iemand anders moeten vinden, die mij de gewenste informatie zal geven. Dat blijkt een moeilijke opgave te zijn, die ik mijzelf stel. De traditioneel denkende mens houdt graag zijn ideeën voor zich en de vrijelijk sprekende Savunees in een protestant.

Een andere dag fiets ik richting Tandjung Mesara, de zuidwestelijke punt van het eilandje. Na wat minder vriendelijke ervaringen met de plaatselijke steenhakkers, waarvan ik hun van lontarpalm gemaakte "vergruishutje" gebruik om er tijdens een flinke regenbui onder te schuilen, kom ik in een klein dorpje aan de kust. De naam ervan heb ik nergens kunnen ontdekken en de autochtonen hebben geweigerd het mij te zeggen. Een wat vreemde situatie. Toch ben ik getuige van een deel van een speciale ceremonie hier op Savu. Het is de "Bui Ihi Hole", een traditionele ceremonie van het Mahara-volk hier op Savu. Men beeldt er gelukwens en dankbaarheid tegenover de schepper mee uit na de oogst.

Tegenover de kerk ligt een volleybalveld, kompleet met net. Een goede plaats om mijn fiets te parkeren. Op slot zetten doe ik hem niet. Dat is tegen de regels. Men laat mij begaan.Ik stel mij op aan de rand van een parcours, dat naast het volleybalveld ligt. Op dit parcours rijdt een twintigtal uitgedoste paarden rond. Op hun ruggen zitten in vrouwenkleren gestoken mannen. Een wat vreemd schouwspel. Zonder bemoeienis van de aanwezigen kan ik uitgebreid dit "paardjerijden" fotograferen. Alhoewel ik de aandacht van de omstanders wegneem van het paraderen, alleen de ouderen bekijken nog het schouwspel terwijl de jeugd zich op het bestuderen van mij toelegt, voel ik mij niet opgelaten. De parade wordt begeleid door een kleine groep muzikanten. Gongs en trommels zorgen voor het auditieve aspect. Het doet mij een beetje denken aan een draaimolen op een kermis. Een jockey heeft de leidsels in de hand en af en toe rijdt er iemand anders een rondje mee. Maar dan alleen als je als man in vrouwenkleren bent gestoken. Is hier sprake van openbare travestie of moet het meer gezien worden in de context van de vrouw als vruchtbaarheidssymbool? Ik neem aan dat het laatste bedoeld wordt.

Na een uur is er weinig veranderd in de situatie. Ik vervolg dan ook mijn weg. Ik moet wel door enkele rivieren waden wil ik tot aan Tandjung Mesara rijden. Ik ben het ondertussen al gewend.

Een tiental kilometers verder heb ik behoefte aan een pauze. Vanaf mijn stopplaats heb ik een magnifiek uitzicht over de Straat Raijua, de waterscheiding tussen Savu en het eilandje Raijua. Ver in zee zie ik het eilandje liggen. Dit Raijua wordt als bron beschouwd van Savu's traditionele religie. Dit houdt in dat alle gebruiken rond bovennatuurlijke zaken afkomstig zijn van dit kleine eiland. Een heiligdom op zich!

Op de top van de heuvel maak ik koffie en geniet van dit bijzonder mooie uitzicht. Aan de voet van de heuvel ligt een klein dorp. Ik neem aan dat het Lobohede is, maar zeker ben ik er niet van. Ik zal er nooit komen. Toch word ik uitgenodigd om er een kijkje te nemen.

Tijdens mijn pauze komen drie mannen het pad aflopen. Al vanaf ver zie ik er een met zijn armen zwaaien. De betekenis hiervan doet mij sterk denken aan mijn ervaringen bij de "nada ae", de rituele altaren, die dus niet positief in mijn gedachte gegrift zijn. Dan staan de drie mannen voor mij. Een komt op mij af en omarmt mij.Ik schrik maar het is goed bedoeld. Ik heb te laat in de gaten, dat deze man de eigenaar is van een eetstal in Kupang. In deze eetstal heb ik wel tien maal mijn avondeten gehad tijdens mijn verblijf in Kupang. Ik heb daar elke keer met hem en zijn mooie vrouw mijn Bahasa Indonesia kunnen oefenen. We hebben veel plezier gehad met zijn drieën. Zoveel dat de gasten zich wel eens licht geergerd hebben omdat hun eten niet op tijd voor hun neus stond. Dan herinner ik mij plotseling dat hij mij verteld heeft dat hij van origine van Savu komt. Zijn mooie vrouw is Rotinese. Samen zijn ze een eetstal begonnen in Kupang op Timor. Vandaar de naam van hun eetstal: "Tirosa", Timor, Roti en Savu. Wat een kleine wereld!

Hij nodigt mij uit met zijn kornuiten naar Lobohede te gaan voor een gezellig gesprek. Ik zou dat graag doen maar ik moet voor het donker in Seba terug zijn. De familie Agadri zal zich wel afvragen waar ik blijf. Het is al rond drie uur en ik ben een kleine 20 km. van mijn onderdak verwijderd. Wetende van de oversteek door de rivier en het moeten passeren van de "Bui Ihi Hole"-ceremonie moet ik helaas deze uitnodiging afslaan. Ik heb de resterende tijd wel nodig op thuis te komen.

Na het doorwaden van de rivier moet ik door het dorpje van de festiviteiten heen. Deels is het nog aan de gang, deels zie ik ruiters richting Seba gaan. Daar moet ik ook heen. Ik word kilometers lang begeleid door deze aanstellerige, opgeschoten menners. Erg vriendelijk zijn zij niet. Ze halen me in en laten me weer voorbij. Misschien zijn ze een beetje beledigd door mijn aanwezigheid en het weghalen van de aandacht tijdens het rondjes rijden op het parcours. Ik krijg maar geen hoogte van de traditionele Savunees. Of moet ik deze knapen zien als ingehuurd voor een traditionele uiting, terwijl zij liever rondscheuren op een Yamaha of Honda motorfiets? Ik laat ze rustig hun gang gaan om me een beetje plagen. Met een lach nemen we uiteindelijk bij een T-splitsing afscheid van elkaar. Het is op het randje van donker worden als ik Seba inrijd en mij weer meld bij mijn familie. Het eten staat al op tafel. Ik kan direct aanschuiven.

Tijdens mijn diner vraagt Arman of hij even naast mij mag zitten. Ik bespeur in hem wat onrust en stem dus toe. Hij begint over de vergoeding, die ik per dag aan hem moet betalen. Om de dag betaal ik hem datgene wat hem toekomt. Morgen is het weer betaaldag maar misschien wil hij eerder zijn geld hebben om het eten te kunnen betalen? Ik zit er met mijn gedachten, zoals vaak hier in Indonesië, weer helemaal naast. Ik betaal hem eigenlijk te veel, zo legt Arman mij uit. Daar ben ik even stil van. Hoezo te veel? Ik overstelp hem met dank voor mijn onderdak en voor mijn maaltijden. Dat is het hem juist, de maaltijden. "Mister Franky, u betaalt 10.000 Rupiah per dag voor "indekos" maar u eet alleen maar in de ochtend en in de avond hier. Uw lunch, waarvoor u betaald heeft, gebruikt u helemaal niet. U bent elke dag op pad. We zitten daar een beetje mee. We stellen u voor om 2000 Rupiah per dag van de rekening af te trekken." Wat moet ik hier nu mee? Ze overstelpen me met luxe volgens de plaatselijke regels en maken zich ondertussen zorgen dat ik ze te veel betaal. Toch duidelijk anders dan in Nederland de gewoonte is.

Ik stel Arman gerust. Ik ben hem en zijn familie eigenlijk veel méér schuldig. De fantastische opvang na mijn angstige ferrytocht, het elke dag klaarleggen van vers fruit, het aanvullen van koffie, thee en suiker en het opdienen van uitstekend eten, ondanks de tekorten op de plaatselijke markt. Hoe kan je iemand zoals Arman daarvan overtuigen? Een praktisch ondoenlijke zaak.

Het kost me dan ook veel moeite na mijn week hier op Savu, gevuld met zeer interessante ervaringen, zeker dankzij de familie Algadri, hen een paar extra biljetten van 10.000Rupiah bovenop de rekening te overhandigen. Dat mag helemaal niet!

De familie begeleidt mij tot aan de pier, waar vandaag de ferry vertrekt richting Kupang. De zee is weer kalm en ik verwacht een goede vaart. Totdat het schip vertrekt probeert Arman mij te overtuigen van het feit, dat er sommige Savunezen dan wel "gilah", gek zijn, maar dat Mister Franky nu wel de kroon spant. Ik laat het er bij. Ik voel me uitstekend na Savu!

info@worldpictureservice.nl
www.WorldPictureService.nl

 

 

     

 

 

 

 


 


 



 

Google