|
Cambodja, informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, info, foto's, Azië
Tempels overleven de terreur
Cambodja reisverhaal: verslag van een reis door Cambodja
(Tekst en foto's: Marcel Jacobs)
Phnom Penh
Op het vliegveld van Phnom Penh maak ik - behalve met de hitte
- meteen kennis met de corruptie: enige welgestelde Cambodjanen
trekken een politieagent naar zich toe die na enige financiële
genoegdoening moet zorgen voor een snellere afwikkeling van
de papierstroom.
Ik kijk gelaten naar de omringende activiteiten en wacht
geduldig tot een douanebeambte met mijn paspoort begint te
zwaaien. Hij wil nog graag 20 dollar luchthavenbelasting ontvangen
en dan mag ik gaan. Bij de bagagecontrole wekken mijn Nederlandstalige
boeken onbegrip, maar ik mag doorlopen.
Buiten klinkt overal 'taxi sir, taxi sir, sir taxi, sir,
sir'. Mijn nicht Henriëtte helpt me een weg te banen
door de menigte en in de 4x4 jeep van de organisatie Handicap
International, Henriëtte's werkgever, leggen we snel
de 7 km van de luchthaven naar Phnom Penh af.
De enorme, actieve mensenmassa en het verkeer maken een chaotische
indruk. Er zijn weinig tot geen verkeersborden en verkeersregels,
dus je moet brutaal en voortvarend zijn. Het straatbeeld wordt
overwegend bepaald door auto's en brommers, daarnaast nog
een enkele fietstaxi en enige voetgangers. Ik zal de komende
twee weken logeren in een flat voor medewerkers van Handicap
International aan de 113e Straat.
De eerste avond gaan we nog even de stad in en eten in een
Thais restaurant. Phnom Penh kent vele prima eetgelegenheden.
Ook voor Europeanen is het hier geen probleem om een goede
en gevarieerde keuken te vinden. Het gaat dan echter altijd
om plaatsen die voor de doorsnee Cambodjaan niet betaalbaar
zijn en dus voor de expats en toeristen bestemd zijn.
De volgende middag breng ik een bezoek aan het Toul-Sleng
Museum, drie gebouwen die onder Pol Pot tot gevangenis zijn
omgebouwd. De Rode Khmer moet hier bijzondere gruweldaden
hebben voltrokken. Op een van de schilderijen wordt dit heel
schrijnend in beeld gebracht. De afgebeelde Rode Khmer-soldaten
beoefenen als tijdverdrijf de schietsport, echter met kinderen
in plaats van kleiduiven.
De stad moet in de jaren 1975-'78 een desolate indruk hebben
gemaakt. Het inwonertal werd teruggebracht tot 20.000; inmiddels
is het weer aangegroeid tot één miljoen. Het
museum laat verder een groot aantal portretten zien van gevangenen,
waarbij de angst en het gevaar direct uit de gelaatsuitdrukkingen
zijn af te lezen. Het geheel roept een gevoel van onbegrip
bij me op. Het herinnert me ook aan het feit dat ik een land
bezoek dat door oorlog en terreur is verscheurd en dat daardoor
maar moeilijk tot een normaal levenspatroon kan terugkeren.
Ik maak me los van het jonge verleden en hervat mijn wandeltocht
door de 113e straat. Aan het einde kom ik bij Mao Tse Toung
Boulevard, een van de hoofd-verkeersaders van de stad. Ik
probeer de drukke straat zo snel mogelijk over te steken om
aan de overzijde weer een rustiger zijstraat in te slaan,
richting Russische markt. Ik passeer een pagode met daarbij
een aantal schoollokalen, een gebruikelijke combinatie. Nog
steeds verzorgt menig monnik de lessen van de leerlingen.
In Cambodja is er nauwelijks spraken van een weekritme. Kinderen
hebben op zondag geen les, maar alle overige activiteiten
worden zeven dagen per week voortgezet. De Russische markt
is rustig, de meeste bedrijvigheid vindt hier 's morgens plaats.
Een blanke betekent echter valuta en daarom wordt ik door
menig marktkoopvrouw in de arm genomen om haar koopwaar te
bekijken. Er is goedkope kleding en ook cd's voor twee en
een halve dollar. Zilver is ook niet duur. Zonder iets te
kopen ga ik verder, ik weet echter zeker dat ik voor het verlaten
van Cambodja de nodige producten van de markt zal halen.
De volgende morgen ga ik per brommer richting Koninklijk
Paleis. Dit gaat om half acht open en om de hete middagzon
als het even kan te mijden, wil ik zo veel mogelijk in de
vroege ochtend doen. Het Koninklijk Paleis biedt een fantastische
aanblik: een mooie tuin, groots opgezette gebouwen en een
prachtige pagode sieren het terrein. Het Koninklijk Paleis
is in gebruik als verblijf voor hoogwaardigheidsbekleders
die een staatsbezoek aan Cambodja brengen. Tijdens de rondwandeling
tref ik een jonge Cambodjaan die Engels met mij wil praten.
Ook lijkt het hem een fantastisch idee dat hij voor elk gebouw
gaat staan waar ik een foto van wil nemen.
 |
|
Ik doe tweemaal alsof ik hem op de foto zet en verzoek hem
dan vriendelijk om me verder met rust te laten. Het lijkt
te lukken: hij loopt weg. Maar dat is van korte duur, na een
blokje om een van de gebouwen staat hij weer voor me en wil
mijn adres, dat ik hem niet geef. Ik vervolg mijn weg door
het domein van het Koninklijk Paleis en houd als een blok
aan mijn been de Cambodjaan bij me.
Het volgende bezoek is aan het Nationaal Museum, een gebouw
vol Boeddhabeeldjes en gebruiksvoorwerpen uit lang vervlogen
tijden. De collectie is door het Pol Pot bewind danig uitgedund
en het is dan ook geen groot museum. Er zijn nog enige stukken
van de collectie bewaard gebleven die terug te vinden zijn
in musea te Bangkok en Parijs.
Ik heb na een uurtje genoeg van het ronddwalen en neem plaats
op een van de bankjes aan de binnenplaats. Na enige tijd krijg
ik gezelschap van een stel Duitse ontwikkelingswerkers uit
Vietnam. Phnom Penh is volgens hen een rustoord vergeleken
met het overvolle Hanoi. Als dit werkelijk zo is zal Cambodja
voorlopig wel mijn enige Indo-China ervaring blijven.
Siem Reap
De volgende morgen vlieg ik met Henriëtte
en twee van haar collega's naar Siem Reap voor een werkbezoek
van vier dagen, gevolgd door een bezichtiging van Angkor Wat.
In het guesthouse, waar geen elektra en stromend water is,
slapen we 's nachts onder een klamboe om muskieten te weren.
In de Workshop van Siem Reap zien we hoe uit eenvoudige materialen
een prothese wordt gemaakt. In dit geval een kunstbeen voor
een jongeman waarvan het been juist boven de knie is geamputeerd.
Door de vele landmijnen die tot enkele jaren geleden nog door
de Rode Khmer en soldaten van het regeringsleger in rijstvelden
en op verbindingswegen werden gelegd, zijn er veel amputaties
en hun aantal neemt tot op de dag van vandaag nog steeds toe.
De protheses bieden de slachtoffers een betere kans op een
'normaal' leven.
We lunchen op de lokale markt van Siem Reap. Je loopt hier
langs de kraampjes en wijst aan wat je wilt eten. Het smaakt
goed. Als we na de lunch nog even over de markt wandelen zien
we in het voorbijgaan een Amerikaan onderhandelen over de
prijs van de dochter van een Cambodjaan. Het raakt me dat
ook dit soort praktijken in Cambodja door westerlingen wordt
uitgeoefend. De schrik is uit de ogen van het meisje af te
lezen. De financiële vooruitzichten maken de vader echter
blind voor de risico's die zijn dochter loopt. Zijn eerste
prioriteit is overleven en daarbij is elke dollar er één.
 |
|
Laat in de middag, na een bezoek aan een kinderziekenhuis
in aanbouw, gaan we per brommer nog even naar Angkor Wat om
vanaf de tempel de zonsondergang te bekijken. Het is bijzonder
druk bij Angkor, omdat er juist een uitvoering van een Thaise
dansgroep plaatsvindt. Het toerisme is rond de tempels in
opmars en daarbij horen dit soort uitspattingen. Vanuit Bangkok
is het mogelijk om een rechtstreekse vlucht te boeken naar
Siem Reap voor een bezichtiging van de tempels. We hebben
geluk en krijgen een prachtige zonsondergang te zien, de volgende
dagen zal het telkens minder fraai blijken.
Vandaag ga ik alleen op pad in Siem Reap In de namiddag
verblijf ik geruime tijd voor het partijgebouw van de 'Cambodian
People Party' waar live muziek wordt gespeeld. Ik raak alweer
in gesprek met enkele Cambodjaanse jongeren die graag Engels
willen praten.
De volgende ochtend vertrekken we met vijf personen op twee
brommers richting een berg in het achterland van Cambodja
waar een prachtige waterval moet zijn. Een tocht met fantastische
uitzichten maar ook een aanblik van de kille werkelijkheid:
na ongeveer anderhalf uur rijden passeren we een gebied dat
nog vol staat met afweergeschut en tanks. Via deze niet gebruikelijke
landelijke omweg komen we bij een van de meest noordelijk
gelegen tempelcomplexen van Angkor, de Banteay Srei (965-1000)
oftewel de Citadel van de Vrouwen. We passeren de tempel en
komen even later ook de laatste militaire controlepost tegen.
Nog steeds vervolgen we voortvarend onze weg, het wordt echter
stil en de omgeving maakt een desolate indruk. Af en toe passeren
we nog een hut, waar duidelijk tekenen van leven zijn. Een
hangmat of voedselresten zijn zichtbaar, er zijn echter nooit
mensen waarneembaar.
Op een T-kruising draaien we naar rechts en staan even stil.
Ik krijg te horen dat ik onder geen enkele voorwaarde meer
mag stoppen. Het gevoel wat ik reeds had op het voorgaande
traject blijkt te kloppen. Goed gas geven dus en niet stoppen
of omkijken. De vier kilometer die we nog te gaan zouden hebben,
worden er tien en er is nog geen berg in zicht. Er is een
klein zandpad links van de weg dat met een slagboom is afgezet.
Men houdt in en zegt te verwachten dat dit de weg naar de
berg is. Men weet niet waar het einddoel zich bevindt en een
echt zelfverzekerde indruk maken ze ook niet, dus ik verzoek
ze terug te rijden naar de vrouwentempel om daar iets te eten
en daarna onze weg te vervolgen naar de overige tempels.
Tot mijn verbazing wordt er direct rechtsomkeert gemaakt.
Bij de vrouwentempel aangekomen wordt er vreselijk gelachen
om het feit dat de drie Cambodjanen ook al heuse hartkloppingen
hadden bij het inslaan van de T-splitsing, maar dachten: zolang
die blanken door willen...
We waren net te vroeg, want inmiddels is het geen probleem
meer om Mount Koulen te bezoeken. De weg is veilig en goed
begaanbaar.
Na de lunch bij de vrouwentempel vervolgen we onze weg terug
langs enige andere oude tempels zoals de Pre Rup (947-965).
Het is een fantastische beleving om deze bouwwerken, die alle
tussen 900 en 1200 na Christus zijn gebouwd, te mogen bewonderen.
De bouwwerken hebben de tand des tijd redelijk goed doorstaan.
Revoluties als die van de Rode Khmer hebben wel een behoorlijke
aanslag gepleegd op menig kunstwerk. Kunst kwam niet voor
in de oud-socialistische opvattingen van Pol Pot, waardoor
er in die tijd bijzonder veel schade is aangericht, met name
aan beelden en gravures.
Phnom Bakheng (893-925), een tempel op een 65 meter hoge heuvel,
biedt een prachtig uitzicht over de omgeving en over Angkor
Wat. Hier blijven we tot zonsondergang om daarna onze weg
terug naar Siem Reap in te zetten.
De volgende dag bezoeken Henriëtte en ik de grote bouwwerken
nog wat uitgebreider: Angkor Wat, Angkor Thom, met daarbij
de Bayon-tempel (1177-1230), Baphuon-tempel (1010-1080), het
Koninklijk Paleis Phimeanakas (978-1010), het olifanten-terras
en het terras van de lepra-koning. De Baphuon-tempel wordt
ingrijpend gerestaureerd onder leiding van een Frans team.
Men hoopt in 2005 gereed te zijn met de herstelwerkzaamheden.
De meeste tempels hebben als basis een grote berg zand, waar
overheen een geheel van stenen randen en ringen is geplaatst
waardoor het uiterlijk de vorm krijgt van een gigantisch groot
bouwwerk. De binnenkant is echter altijd een hoop zand, en
daar schuilt het probleem voor vele bouwwerken. Door de eeuwen
heen zijn de stenen omhullingen gaan doorlekken. Water kreeg
daardoor een kans om het zand onder de bouwwerken vandaan
te spoelen. Door deze ondermijning zijn vele bouwwerken gaan
verzakken of gedeeltelijk ingestort.
Dit is ook met de Baphuon-tempel gebeurd. Men probeert nu
de stenen buitenlaag te ontmantelen om daarna een deugdelijke
betonnen binnenwerk af te gieten ter vervanging van de zandberg.
Uiteindelijk kan men dan de stenen terugplaatsen om de betonconstructie,
waarna de tempel als nieuw zal herrijzen. Er liggen nu rond
de Baphuon-tempel z'n 400.000 genummerde stenen die uiteindelijk
de oorspronkelijke tempel moeten vormen.
Sihanouk Ville
Terug in Phnom Penh krijg ik de volgende dag de kans om rustig
aan te doen en breng ik de dag door met lezen in het Engelstalige
boek 'A Fortune-Teller told me' van Tiziano Terzani die zijn
reizen in het verre oosten beschrijft.
De dag daarop ga ik naar Phnom Wat, een pagode op een kleine
heuvel in het noorden van de stad. Het is er druk omdat een
groot aantal Chinezen hier hun nieuwjaar viert. Dit doen zij
door het vereren van hun goden met het brengen van offers
en religieuze dansen met een draak, die gevormd wordt door
een hele rij kinderen. Het geheel krijgt ook van de Cambodjanen
veel bekijks.
De reis naar Sihanouk Ville, richting zee, leg ik af per
'luxe' touringcar, een bus van naar schatting 25 jaar oud
met airco. De Route 4 die tussen 1996 en 1998 nog geheel is
opgeknapt met ontwikkelingsgeld van Amerika, is een prima
weg, maar ook bijzonder druk en daardoor gevaarlijk. Net voor
het binnenrijden van Sihanouk Ville zie ik twee zwaar gewonde
brommerbestuurders langs de kant van de weg. Er staan veel
toeschouwers om het schouwspel maar echte hulp is er niet
en een andere afloop dan de dood zal waarschijnlijk niet voorhanden
zijn.
Dat is het trieste in een land waar buitenlandse hulpverleners
nog van essentieel belang zijn en waar de ziekenverzorging
nog nauwelijks financiële middelen heeft. Zolang mensen
niet of nauwelijks kunnen voorzien in hun eerste levensbehoefte,
dagelijks voedsel, mag je niet verwachten dat er veel geld
wordt uitgegeven aan hogere levensverwachtingen.
Bij aankomst in Sihanouk Ville laat ik me direct naar het
opgegeven guesthouse brengen, dat rustig gelegen is op nauwelijks
400 meter van het strand Ochheu Teal Seaside. Ook hier zijn
tijdelijk problemen met de stroomvoorziening. Dat wordt echter
opgelost door een eigen aggregaat dat gedurende de nachtelijke
uren voor de nodige elektra moet zorgen, waardoor de airco
op mijn kamer volop blijft blazen en de temperatuur behaaglijk
wordt en de muskieten hopelijk zullen wegblijven.
Ik slaap hier voor het eerst niet onder een klamboe. De volgende
morgen blijkt dat de airco een minder afdoende middel is want
er zijn helaas enige steken voelbaar. Die ochtend rijd ik
alle strandjes van Sihanouk Ville af en bezoek de oude en
de nieuwe haven. Thum, de bestuurder van de brommer, spreekt
een beetje Engels, wat in dit soort plaatsen niet tegenvalt.
Hij vraagt of ik ook geïnteresseerd ben in de watervallen.
Deze zijn onlangs geopend voor publiek en zeker de moeite
waard. De afstand mag dan zeker het dubbele - zo niet het
drievoudige - zijn van wat Thum zei, het is inderdaad een
hele leuke maar vooral ook bijzonder drukke plaats. Het Chinese
nieuwjaar zorgt voor een groot publiek bij de waterval, ik
ben voor zover ik kan zien de enige niet-Cambodjaanse bezoeker.
Op de terugreis maken we nog een kleine omweg langs een pagode
op de top van een berg, waar ik een prachtig uitzicht over
de havens krijg voorgeschoteld. Bij de pagode ontmoet Thum
een monnik die hij reeds een jaar niet heeft gezien. De monnik
is enige tijd in een tempel in de omgeving van Bangkok geweest.
Ook Thailand kent momenteel een recessie, waardoor het voor
buitenlanders zonder financiële middelen steeds lastiger
wordt gemaakt om een verblijfsvergunning te krijgen. Het laatste
stukje van de tocht wordt ingezet en ik maak reeds een afspraak
voor morgenochtend, zodat Thum me in alle vroegte bij het
busstation kan afzetten.
Zijde-eiland
Thum beschouwt me nu reeds als een 'echte' vriend en weet
me te vertellen dat hij prima heroïne voor me kan bemachtigen
in het dorp. Helaas voor Thum, maar aan een niet-roker als
ik verkoop je nog geen pakje zware shag. Dus ik neem de tip
ter harte en doe er het zwijgen toe.
De terugreis wordt al vroeg ingezet, zodat ik in de namiddag
in Phnom Penh nog een bezoekje kan brengen aan de blinden
van 'Seeing Hands'. Een organisatie waar blinden trachten
geld bijeen te brengen door massages te geven en kunstvoorwerpen
te verkopen. Ik onderwerp me aan een uurtje Japanse massage.
Er wordt niet met olie gewerkt, maar met een doek die tussen
de huid en de handen wordt gelegd. De handelingen worden op
stevige wijze uitgevoerd en ik hoor menig botje knakken. Ik
kan me dan ook niet aan de indruk onttrekken dat dit wel eens
een aantal dagen spierpijn op kan leveren.
 |
|
De volgende dag is echter als alle voorgaande dus dat valt
zeker niet tegen. Omdat het één van de laatste
mogelijkheden is om nog inkopen te doen, gaan we reeds vroeg
naar de Russische markt en kopen cd's, hemdjes en krama's
(hoofddoeken). Daarna pikken we een brommer op voor onze tocht
naar het Zijde-eiland, een leuk plekje in het midden van de
Mekong rivier op tien kilometer van de stad. Het eiland ontleent
zijn naam aan de vele weefmachines: onder bijna elke paalwoning
staan er wel één of twee.
Er heerst een fantastische stilte en toeristen zijn hier
nog een zeldzaamheid. Iedereen zwaait dan ook of roept je
na. We krijgen het gevoel dat er van twee zijden aapjes gekeken
wordt. Aan het einde van de middag, als we het eiland geheel
doorkruist hebben, is er zo'n 30 km afgelegd. Voor de boot
aanlegt om de overtocht naar het vasteland te maken, voetbal
ik nog even met enkele kinderen. Dit soort ogenblikken doet
je even vergeten in welke staat het land verkeert.
Cambodja wordt bewoond door fantastische mensen, maar heeft
een bijzonder donker verleden. Een verleden dat voor mij iets
te vaak naar voren komt tijdens het verblijf, waardoor ik
met gemengde gevoelens terugkijk. Enerzijds is er de bewustwording
van het feit dat dergelijke gebieden nog steeds op deze aarde
aanwezig zijn, sterker nog, dat een groot gedeelte van de
aarde uit dit soort gebieden bestaat. Anderzijds biedt dit
soort landen nog zoveel pure vormen van het leven dat het
een genot is om die momenten te mogen beleven.
|