VERENIGDE STATEN

DEEL 5: ARIZONA

"In het ochtendgloren suisde mijn bus door de woestijn van Arizona- Indio, Blythe, Salome (waar ze danste); de wijde dorre vlakten die uitlopen op de Mexicaanse bergen in het zuiden." Uit "On the Road" van Jack Kerouac.


Via de Boulder dam steek ik de Colorado rivier over en rij over de Interstate 40 via Kingman naar Williams. De I-40 dateert uit het midden van de vorige eeuw toen er een vergeefse poging werd gedaan om met kamelen de droge woestenij toegankelijker te maken.
In Las Vegas had ik gehoord dat bij de Grand Canyon alle hotels aan de North Rim en aan de zuidkant in Grand Canyon Village al maanden van tevoren volgeboekt waren. Ik besluit een motel in Williams te zoeken en de volgende dag de afstand van ongeveer honderd kilometer op en neer te rijden naar de Canyon. Williams is een triest, grauw stadje. Het ligt aan de aanvoerweg naar de Grand Canyon, maar kan dat voordeel niet omzetten in een bezoekersvriendelijke uitstraling. Ik kan geen fatsoenlijk restaurant vinden en neem een steak en een saladbar in een lokaal dat in enkele tientallen jaren van een trendy Art Deco restaurant afgezakt is naar een treurig snackbar-niveau. Ik ga vroeg naar bed om de volgende dag zoveel mogelijk tijd bij de Canyon te kunnen doorbrengen.

Sinds 1919 is het gehele Grand Canyon gebied een nationaal park, dat een op efficiënte wijze door rangers wordt onderhouden, hoewel borden als "$1000 fine for littering" ook wel hun nut zullen hebben. In het park rij ik een tijdlang door een vlak gebied en hoewel ik de Canyon inmiddels al redelijk dicht genaderd moet zijn, zie ik niets dat ook maar enige gelijkenis vertoont met de ontelbare foto's die ik er van gezien heb.
Dan, op een volkomen onverwacht moment, duikt ineens de immense Canyon voor mij op en wordt mij ook de reden ineens duidelijk: op basis van afbeeldingen had ik mij een groot heuvelachtig gebied voorgesteld, maar de Canyon is aan de bovenkant vlak en alleen in de diepte uitgesleten. Even uit het veld geslagen door deze bijna bovennatuurlijke ervaring zet ik de auto stil en stap uit. Door de airconditioning in de auto heb ik niet gemerkt dat het een verschroeiend hete dag is. In de schaduw van een boom ga ik op een rots zitten en laat gedurende enige tijd het wereldwonder op mij inwerken. Deze aanblik kan geen enkel mens onaangedaan laten en moet menigeen tot een hoger spiritueel plan hebben geheven.
In Grand Canyon Village zie ik de reden waarom alle hotels en lodges zijn volgeboekt: bussenvol Japanners en Italianen vormen de hoofdmoot van de ruim 10.000 medebezoekers op deze dag.Via de East Rim Drive rij ik naar het Grandview Point waar ik de rest van de dag, temidden van eekhoorns en zwarte raven, de rode Colorado rivier langs de grillige vormen en het verbijsterende kleurenscala van de sedimenten van de Canyon zie kronkelen.

's Avonds neem ik de gratis shuttle-bus naar Hopi Point op de West Rim Drive, waar ik de zonsondergang afwacht en na afloop van de voorstelling even sprakeloos achterblijf als na mijn eerste kennismaking met vuurwerk, de eerste sexuele ervaring of de eerste beluistering van "Are You Experienced" van Jimi Hendrix. Als ik weer in het deprimerende Williams terugkeer is het gelukkig donker zodat ik nog steeds in een toestand van serene gelukzaligheid verkeer wanneer ik tenslotte op mijn bed ga liggen.

De volgende dag rij ik door de droge, heuvelige vlakten van de Painted Desert, waar ik moeite heb om, na de ervaring van de vorige dag, de schoonheid op haar juiste waarde te schatten.
Dat lukt mij later op de dag wel als ik in het Navajo Indian Reservate door Monument Valley rij. Als reusachtige mierenhopen rijzen op een beperkt aantal plaatsen steile, afgetopte heuvels uit de woestijn omhoog. De bekende achtergrond van menige western is ook in werkelijkheid een entourage waarin begrippen als droogte, eenzaamheid, ruigheid, de strijd om het bestaan, een nieuwe onbekende wereld en dood intenser worden ervaren dan waar ook.


In de verte neem ik Navajo-indianen waar die paarden bijeendrijven zoals de cowboys dat een eeuw geleden deden. Ik bedenk dat ruim een eeuw geleden in veel gebieden indianen nog heer en meester waren en dat er nog stammen waren die nog nooit een blanke hadden gezien. In ruim honderd jaar is het indianenvolk dusdanig gedecimeerd dat ze nu min of meer als een beschermde diersoort in een aantal reservaten in stand worden gehouden.

In het reservaat is, afgezien van enkele handelsposten met indianenhandwerk, weinig te merken van de indiaanse bewoners. De mensen in de handelsposten hebben zich volledig aan de hedendaagse samenleving aangepast en alleen enkele karakteristieke gezichtslijnen verraden hun afkomst. De schaarse indianen die vasthouden aan hun oude cultuur hebben zich teruggetrokken op weinig toegankelijke plaatsen om zich af te schermen van bussenvol voyeurs.

Langs de weg zie ik in de verzengende hitte een Navajo-jongen staan met een bord waarop ik kan ontcijferen: "Dinosaur steps". Ik stap uit en de jongen wacht tot ik naar hem toe loop. Hij durft zijn ogen nauwelijks op te slaan en mompelt: "Dinosaur, big steps over there" terwijl hij op een gebiedje wijst dat wat verder van de weg af ligt. Hij slaat zijn ogen weer neer en wacht op mijn reactie. Hoewel ik daar natuurlijk ook op eigen houtje heen had kunnen lopen vraag ik hem om mij Dino's voetstappen te laten zien. Met een lichte tred snelt hij voor mij uit en wijst op een aantal met rode verf omcirkelde sporen, die dus van een dinosaurus afkomstig zouden moeten zijn. Ik zie op de rotsige bodem een paar uitgeslepen sporen met een diameter van ongeveer 30 cm en blijf er langer bij stil staan dan ik nodig vind, om de jongen niet teleur te stellen. Ik vraag hem of hij een Navajo is (misschien een hele stomme vraag?) waarop hij bevestigend knikt. Na veel vragen en trekken kom ik te weten dat hij vlak achter de heuvels met zijn familie woont en vrij ongelukkig is met zijn wijze van bestaan. Hij heeft weinig trek in het leven in het reservaat en wil het liefst naar de grote stad om te studeren. Alsof hij er zich voor schaamt haalt hij zwijgend een aantal stoffige, lederen veters met kraaltjes uit zijn zak. Wanneer hij de veters nu te koop had aangeboden, had ik mij in een meer vertrouwde positie bevonden, maar hij houdt de veters in twee handen laag voor zijn lichaam, waardoor hij het initiatief weer aan mij over laat. Ik voel me steeds meer een onbeholpen, vadsige toerist en ervaar de onderlinge afstand oneindig veel groter dan de ene meter die ons lijfelijk scheidt. De veters blijken een dollar per stuk te moeten opbrengen, ik koop twee veters en geef hem vijf dollar, waarbij ook de fooi voor de "rondleiding" is inbegrepen. Voor het eerst verdwijnt er iets van de triestheid in zijn gezicht en ik geef hem nog een hand voordat ik in de auto stap. Ik zie dat achter mij inmiddels een andere auto is gestopt bij het bord. Het baseballpettengezin stapt kreunend en vloekend op de hitte uit de auto en loopt gelijk naar Dino's voetsporen, de Navajo-jongen volstrekt negerend. Wanneer ik weg rij zie ik in mijn achteruitkijkspiegel dat de jongen even aanstalten maakt om achter het gezin aan te lopen, maar dan toch met een teneergeslagen blik bij het bord blijft staan.

 

verder naar deel 6

HetWereldVenster

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

Google