|
Gambia:
informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag,
info, foto's, Afrika
Gambia: beachboys en baobabs
Gambia reisverhaal: verslag van een vakantiereis door Gambia
en Senegal
(Tekst en foto's: Lies & Teije)
deel 3/4
Donderdag 13 januari, een luie stranddag
Vandaag is het stranddag voor ons, al laat de zon het de
meeste tijd afweten. Er hangen nevelige zandwolken in de lucht
maar het is heerlijk warm, ruim boven de 30 graden en alleen
al door het licht worden we steeds wat bruiner. We worden
meteen opgevangen door onze 'vaste' beachboy, Moses. Hij brengt
ons kussens voor de ligbedden, maakt een praatje en laat ons
dan weer met rust. In tegenstelling tot de vele verkopers
van zakjes water, rolexen, pinda's, kranten, souvenirs, fruit,
drankjes en noem maar op. We slaan iedereen beleefd en glimlachend
van ons af. Gambia wordt wel de Smiling Coast genoemd vanwege
de vorm van de Gambia rivier op de kaart die op een lachende
mond lijkt, maar de Gambianen zelf lachen ook continue, zelfs
wanneer je niets van ze wilt. Honden zie je hier regelmatig
rondzwerven en we hadden al het idee dat net als in de Arabische
wereld honden niet echt op prijs gesteld worden of als huisdier
gehouden, tot we opeens dit beeld zien: een Gambiaan die uren
met z'n hond aan de lijn op het strand wandelt, speelt en
uitrust. Er komt zelfs nog een andere Gambiaan langs met eveneens
een hond aan de lijn!
Af en toe duiken we even tot ons middel de zee in, maar de
meeste tijd besteden we toch aan het lezen van de vele boeken
die we meegenomen hebben of we kijken gewoon wat rond naar
alles wat zich op het strand afspeelt. We vervelen ons echt
niet.
Een opvallend verschijnsel is de aanwezigheid van blanke,
oudere vrouwen die een jonge Gambiaan bij zich hebben. Ze
lijken alles over te hebben voor de vrouw in kwestie: langdurige
massages van teen tot kruin, het ophalen van eten en drinken,
soms zelfs het voeren. Volgens ons zijn de jongens allang
blij dat ze iemand hebben die hen af en toe een maaltijd geeft
en misschien ook wat geld, maar volgens Moses is het allemaal
True Love en is er geen sprake van geldbejag. Wij hebben er
zo onze bedenkingen over, zeker wanneer je een 60- of 70-jarige
ziet lopen met een jonge knul van nog geen 20 aan de arm.
Voor we terug lopen naar het hotel hebben we met Moses een
heel gesprek over het milieu. Hij vindt het normaal om papiertjes
en flesjes gewoon op het strand te gooien en snapt niet waarom
wij daar zo moeilijk over doen. Pas wanneer we hem uitleggen
dat er misschien wel geld te verdienen valt met het opruimen
van troep raakt hij geïnteresseerd. We vertellen hem
van de boetes die er bij ons staan op het overtreden van bepaalde
milieuregels en hij kan het nauwelijks geloven. We stellen
voor dat hij eens gaat proberen toeristen aan te spreken op
de rotzooi die ze achterlaten en dat hij ze aanbiedt om het
tegen een kleine vergoeding voor hun op te ruimen. Het idee
spreekt hem wel aan, dus wie weet, misschien zijn binnenkort
de stranden weer helemaal mooi schoon.
Aan het einde van de dag gaan we nog wat drinken bij Berend
en Agnes op de veranda. Zij trekken er af en toe op uit met
een jongen van het hotel en beleven ook heel wat. Het zijn
aardige mensen en we kletsen wat af onder het genot van een
lauw biertje. Je kunt hier een koelkastje huren, maar dat
kost zo'n € 6 per dag. Vanaf hun veranda hebben we mooi
uitzicht op het pad waar regelmatig wasvrouwen langslopen
in vaak kleurrijke kleding. De grote wasmanden worden soms
vastgehouden met 1 hand, maar vaak ook gewoon los op het hoofd.
Het is een wonder dat in een toch niet al te schoon land de
mensen er steeds in zulke schone kleren bijlopen. We voelen
onszelf behoorlijk uit de toon vallen in onze bestofte kloffies.
 |
 |
Wanneer we 's avonds de deur naar onze veranda openen zien
we ineens een grote krab die probeert binnen te komen. Als
we het licht aandoen schuifelt hij langzaam zijwaarts weg.
Het is een kanjer van bijna 20 centimeter lang. Teije gaat
nog een uurtje naar Salifu om te praten. Hij vertelt van alles
over zichzelf: zoals zoveel jongens is hij geboren en getogen
in het oosten van Gambia en naar de westkust verhuisd om werk
te zoeken. Van het weinige geld dat hij verdient, spaart hij
ook nog voor zijn ouders die nog steeds een boerderijtje hebben
in het oosten van het land. Hij is van de Fula stam die zo'n
13% van de bevolking uitmaakt. Andere stammen zijn de Mandinka
(40%), de Wolof (12%) en de Jola (8%) plus nog een aantal
kleinere stammen.
Vrijdag 14 januari, op expeditie naar Senegal
Om half 5 zijn we al wakker en ook al moeten we erg vroeg
weg, zo vroeg hoeft nou ook weer niet, maar we vallen niet
meer in slaap. We proberen snel nog wat te ontbijten maar
het busje is erg laat, dus we hadden ons helemaal niet hoeven
te haasten. Een aantal mensen die we op de Makasutu-trip al
zijn tegengekomen, gaan vandaag ook weer mee. Dit keer gaan
we naar het zuiden, Senegal in, tot aan de districtshoofdstad
Ziguinchor. Onze eerste stop is in Brikama om ijs op te halen
voor de frisdrank die we in de bus meenemen.
Na Serrekunda en Banjul is dit de derde stad van Gambia
en erg levendig. Des te dichter we bij de grens komen, des
te slechter worden de wegen. Een zandpad rijdt nog heel wat
comfortabeler dan een asfaltweg met grote en vooral hele diepe
gaten erin. Maar wel een parkeerplaats, tenminste volgens
het bord op de rechterfoto! Over de laatste 20 kilometer voor
de grens doen we meer dan 3 kwartier!
We hebben een enthousiaste gids mee, Tamarr, die honderduit
vertelt over de trip, over Gambia en de mensen, de economie
enzovoorts. Ook probeert hij woordgrappen te maken, maar in
zijn Engels komt dat niet altijd goed over. Hij is in ieder
geval een hele pientere jongen die een grondige kennis van
het land heeft. Vlak voor de grens verzamelt hij van iedereen
alvast een grote hoeveelheid pennen om de douaniers gunstig
te stemmen. De meesten van ons hebben wel pennen bij ons,
maar die hebben we eigenlijk voor de kinderen bedoeld. Maar
goed, als een beetje omkoping helpt om sneller de grens te
passeren, dan moet dat maar.
| De grenspost tussen Gambia en Senegal bestaat
voor ons uit 3 stopplaatsen. Na de eerste douanepost stoppen
we op een stukje niemandsland waar de geldwisselaar de
bus in komt, een jongeman met zakken vol papiergeld, in
alle soorten en maten. Wij hebben Senegalese CFA nodig,
ca. 5000 voor 300 Dalasi en 600 voor 1 Euro. De omwisselkoers
is duidelijk in zijn voordeel en wat we aan het einde
van de dag overhouden zullen we tegen een nog slechtere
koers weer kunnen inwisselen. |
|
Al met al zijn we wel 2 uur zoet voordat we de grens eindelijk
echt helemaal gepasseerd zijn. We hebben wel weer 2 stempels
in ons paspoort erbij: 1 dat we Gambia verlaten hebben en
1 dat we Senegal zijn binnengekomen. En we zien meteen opmerkelijke
verschillen met Gambia: meer bos en begroeiïng in het
algemeen, goede wegen en de huizen lijken van een betere kwaliteit.
Dit is het rijke gedeelte van Senegal waar meer regen valt
dan in het noordelijk deel (dat ten noorden van Gambia ligt
en meer tegen de Sahara aan met een droog en dor klimaat),
en dat meer mineralen bezit. Het is dan ook geen wonder dat
vrijheidsstrijders nog steeds streven naar onafhankelijkheid
voor dit geïsoleerde gebied, hoewel er uiteraard meer
redenen een rol spelen. Het schijnt nog steeds niet overal
helemaal veilig te zijn.
Vlakbij de grens, terwijl we nog stil staan, hurkt ineens
een vrouw langs de weg op de grond, gaat blijkbaar plassen,
en trekt even later haar rokken recht. Wat lekker eenvoudig!
Anders wordt het met sommige inzittenden van onze bus die
protesteren wanneer we ergens in de bush stoppen voor een
plaspauze. Nee, geen toilet te zien, maar wel een heleboel
bomen! Onze eerste stop is in een compound met een aantal
lemen huizen. Kinderen spelen er en vrouwen gaan door met
hun normale bezigheden (de was, koken, kinderen voeden) terwijl
wij een kijkje in de huizen mogen nemen. Ze doen wat denken
aan oude boerderijtjes met bedsteden. Door de dikke muren
blijft het binnen aangenaam koel.
 |
 |
 |
 |
Links het buitentoilet, met een rieten omheining eromheen.
Riolering en waterleiding hebben ze hier niet. De kinderen
volgens ons met belangstelling, de ouderen kijken er al niet
meer van op. Er komen hier veel vaker groepen toeristen en
in principe krijgen de mensen er niets voor dan de fooien
die de toeristen geven. Dat we zo hun huizen doorlopen en
bekijken voelt echter toch wel wat genant.
Het water wordt uit putten gehaald rond het dorp en bewaard
in aardewerken kruiken binnenshuis, zodat het verbluffend
koud blijft. Men leeft hier van de landbouw wat voldoende
voedsel oplevert voor het eigen levensonderhoud en wat over
is wordt op de markten in de buurt verkocht. De oudere kinderen
gaan naar schooltjes in de buurt en wat de mannen doen, tja???
Eigenlijk zien we overal, ook in Gambia, meer vrouwen aan
het werk dan mannen. Aan de kust zijn de mannen vaak vissers
die 's nachts op zee zijn en 's ochtends met hun vangst terugkomen,
dus die liggen overdag natuurlijk te slapen.
En ook hier worden we getrakteerd op een lokale dans, de
dorpsbewoners organiseren dit 'spontaan' voor ons. Het is
hetzelfde als in Makasutu: iedereen geeft met een soort houten
kleppers het ritme aan en af en toe springt er een vrouw naar
voren die met bepaalde passen op de grond stampt. Iedereen
moedigt haar dan aan door het ritme en het lawaai omhoog te
gooien. De bewegingen van de dansende vrouw lijken een handeling
uit te beelden, bv. het maaien van gras of het malen van koren,
maar we weten niet zeker of dat waar is.
We rijden verder, richting Ziguinchor, en komen opeens in
een sprinkhanenzwerm terecht. Het zijn er miljoenen over een
uitgestrekt gebied. De roodachtige beestjes zijn ongeveer
8 centimeter lang en bedekken soms hele bomen. Het schijnt
de eerste sprinkhanenplaag in 20 jaar te zijn. Een mooi gezicht,
maar desastreus voor de bevolking.
| Na zo'n 10 kilometer zijn we uit de zwerm en arriveren
veel later dan gepland in Ziguinchor, de grootste stad
in het zuiden van Senegal met 100.000 inwoners. Hier worden
de geoogste pinda's verzameld en verscheept naar alle
delen van de wereld. Hiernaast een pindaberg waar een
snoeperd alleen maar van kan dromen! We lunchen in een
open restaurantje en de gids legt ons uit dat we al zo
ver achter op schema liggen (waarschijnlijk door het oponthoud
aan de grens) dat we beter de lokale markt kunnen overslaan. |
 |
We gaan ermee akkoord en vertrekken dan naar de haven waar
we in de boot stappen om een tocht te maken door een kreek
(bolong) van de rivier de Casamance, dezelfde naam als het
gebied waar we nu zijn. Hoewel zwaarbewolkt, is de temperatuur
heerlijk (zo'n 32 graden) en de frisse wind op het water geeft
wat verkoeling. Af en toe komen we vissersboten tegen, zoals
deze man in zijn uitgeholde boomstam. Behalve veel reigers
zien we niet veel van de overvloed aan vogelsoorten die hier
moet zitten. We varen zo ruim een uur door de bolong en de
kreek wordt steeds smaller. Ook hier is de begroeiïng
mangrove waarvan de wortels tegen zout water kunnen en waar
oesters in grote hoeveelheden te vinden zijn bij eb. Uiteindelijk
stappen we bij een kade uit die ergens midden in de rimboe
ligt. Van de bus nog geen spoor te bekennen.
 |
 |
We lopen alvast een eind het pad op en daar is de bus, die
rechtstreeks vanuit Ziguinchor komt. Wanneer we over het zandpad
rijden (dat 40 kilometer doorgaat) weten we waarom: diepe
kuilen, mensen en dieren op de weg en het zand is erg mul
zodat de chauffeur moet uitkijken dat we niet vast komen te
zitten. Tientallen dorpjes of kleine compounds komen we onderweg
tegen. Het pad zal er in het regenseizoen wel heel wat slechter
bijliggen. En dat is weer lastig voor de mensen die naar Ziguinchor
moeten om hun waren op de markt te verkopen.
En we komen weer terecht in de sprinkhanenplaag, wat betekent
dat ze zich heel snel verplaatst hebben of dat de zwerm ontzettend
groot is. Dit keer blijven we er veel langer in en soms kleuren
de palmbomen rood van de sprinkhanen waarmee ze bedekt zijn.
Overal zien we nu mensen autobanden verbranden om de beesten
te verjagen met de rook en kinderen die met bezems proberen
ze uit de lucht te slaan.
De sfeer in de groep is erg goed en het wordt helemaal leuk
wanneer we een sluis passeren en de Matarr dat woord wil leren
uitspreken. De 'ui'-klank klinkt bij hem als au of eu, maar
hij gaat stug door met oefenen terwijl iedereen bereidwillig
suggesties geeft hoe het beter kan en noemen nog een hele
reeks woorden met de ui erin. Na een uurtje spraakles gaat
hij voor zich uit zitten kijken en we zien af en toe zijn
lippen het woord sluis vormen.
Bij de grens moeten we weer wachten en dit keer worden we
bestormd door kinderen die van alles van ons willen hebben.
Wanneer een paar een pen krijgen en één van
onze medetoeristen aan 1 kind geld geeft, is het hek van de
dam en verdrukken elkaar bijna om ons busje in te komen. 'Ach,'
zegt iemand achter ons, 'zie je wel, het zijn eigenlijk nog
steeds wilden!' Een uitspraak die ons nogal kwaad maakt, want
gooi in Nederland eens een Euro tussen 30 kinderen, wedden
dat ze erom gaan vechten. Het zijn juist de toeristen die
zo de inheemsen als wilden behandelen...
Na het passeren van de grens begint het al een beetje te
schemeren en we weten dat we laat zullen aankomen. Sommige
mensen beginnen last te krijgen van vermoeidheid, we zitten
tenslotte al bijna 10 uur in de bus. Maar helaas beseft niet
iedereen dat en sommige mensen beginnen ineens te klagen:
de tour operator is niet goed, we zijn verkeerd voorgelicht,
het duurt allemaal te lang en tenslotte zijn ook de gids en
de chauffeur ineens helemaal niet meer goed, zo beluisteren
we de uitspraken van een aantal mensen. Dat je moe bent kunnen
we begrijpen, maar dat je door te klagen zo je eigen dag gaat
verpesten en anderen de schuld gaat geven, nee, dat willen
we gewoon niet snappen.
Vlak voor we terug zijn in het kustgebied demonstreert Tamarr
dat hij het woord sluis nu perfekt kan uitspreken. Het heeft
enkele uurtjes gekost, maar het gaat goed. Hij is trots op
zichzelf en wij niet minder op hem, want de 'ui' is een lastige
kombinatie voor de meeste niet-Nederlanders. Wanneer we uitstappen
bedanken we hem voor de leuke dag en geven hem een goede fooi.
Om half 9 zijn we terug bij het hotel, 13 uur nadat we vertrokken
zijn. Zo'n 10 uur daarvan hebben we in de bus gezeten, en
het is inderdaad een erg vermoeiende trip over de veelal slechte
wegen. Maar we zijn toch blij dat we de excursie hebben gemaakt
en gezien dat Senegal toch anders is dan Gambia. Salifu wacht
ons op bij de poort, hij heeft speciaal op ons gewacht om
te vertellen dat hij is overgeplaatst naar een ander hotel,
maar hij weet niet voor hoe lang. We stellen hem gerust, we
zullen hem vast wel weer zien. Wij gaan nog wat eten, even
op het terras zitten uitrusten en dan lekker vroeg naar bed.
verder
naar "Beachboys en baobabs" deel 4
|