Botswana: informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag, tips, advies, info, foto's, Afrika

Kalahari

(tekst en foto's: Harold Kolkman)

deel 2/6

 

8/5 kgalagadi: de nossob trail

Het Kgalagadi Transfrontier Park, bestaande uit het Kalahari Gemsbok National Park in Zuid Afrika en het Gemsbok National Park in Botswana is een van de grootste beschermde ecosystemen in de wereld. In totaal telt het bijna 4 miljoen hectare beschermd gebied binnen zijn grenzen. Het Zuid Afrikaanse deel, waar ik nu zit, is opgericht in 1931 en ligt in een van de meest afgelegen hoeken van het land, weggestopt tussen de grenzen met Namibie en Botswana. In 1999 is de overeenkomst tussen Zuid Afrika en Botswana getekend om beide parken samen als een geheel te besturen. Het is het eerste officiele Transfrontier Park. Great Limpopo, waar mijn onderzoek zich op richt, is de volgende. De afgelegen locatie schijnt het grootste pluspunt maar ook het grootste nadeel voor bezoekers te zijn. Gelukkig voor mij, hoef ik hier geen Krugerparksituatie te verwachten waar het aantal auto’s het aantal olifanten overstijgt. Niet dat hier olifanten zijn trouwens. En ook geen buffels en neushoorns, de andere leden van de Big Five. Maar de grote katten schijnen in grote getalen aanwezig te zijn. Men zegt dat het zelfs de beste plaats in Afrika is om cheetah’s te zien en de leeuwen schijnen groter te zijn dan hun soortgenoten in andere parken. Maar het dier waar het park zijn naam aan dankt is de majesteuze Gemsbok, een grote zandkleurige antelope-soort met een scherp zwart-wit getekende snuit en lange spitse hoorns. Je kunt ze vinden in grote groepen, vaak samen met de elegante springbok, een andere beroemde Zuid Afrikaanse antelope-soort, bekend vanwege de opvallende zwart-witte flank.

Het grootste deel van het Zuid Afrikaanse deel van het park is gelegen tussen de droge Nossob en Auob rivierbeddingen die samenkomen op het punt waar de ingang is gevestigd, vandaar de naam Twee Rivieren. De andere twee kampen in het park zijn Nossob en Mata Mata respectievelijk tegen de grens met Botswana en Namibie. De twee hoofdroutes in het park lopen door de rivierbeddingen, waarin maar eens in de 100 jaar water vloeit. Geen van de wegen is geasfalteerd, zoals in Kruger, zodat het authentieke “wilde” gevoel behouden blijft. De dwarsverbindingen en “loops” tussen de twee hoofdroutes lopen door de zandduinen.

Vandaag ben ik van plan een eind richting Nossob te rijden en dan via de Auob route weer terug. Het rijden in dit park vergt een andere aanpak dan in Kruger, waar volop rustkampen en wegen aanwezig zijn. In de eerste plaats moeten de receptiemedewerkers weten waar je naartoe rijdt, zodat ze een zoekactie kunnen organiseren als je niet voor zes uur terug bent in het kamp. Het tweede belangrijke punt is de bandendruk. Het is makkelijk om te slippen op de zandwegen, of erger, jezelf in te graven. Een lage bandendruk helpt dit te voorkomen, vandaar dat iedere bestuurder bij het tankstation in het kamp braaf lucht uit de banden laat stromen voor een betere grip. Alhoewel de wegen in het park redelijk geschikt zijn voor een gewone stadsauto, zijn het voornamelijk grote 4x4’s die hier rondrijden. Mijn rode Golf is echt een buitenbeentje. Nadat ik mijn tank heb volgegooid, ga ik op weg, op zoek naar wild.

Weer een verschil met Kruger. Daar kun je soms uren rondrijden zonder dieren te zien, vanwege de dichte begroeiing en de vele waterputten verspreid over het park. Hier sta ik om de vijf minuten stil om wildebeest, gemsbokken, springbokken, red hartebees en struisvogels te bekijken. De variatie in dieren is weliswaar minder groot dan in Kruger, maar de contrasten in het landschap maken dit meer dan goed. Eigenlijk moet je de Kalahari vooral om het landschap waarderen. De dominante bomen zijn grillig gevormde Shepherd en Camelthorn trees die, samen met Tsamma Mellons en kort stug gras, de belangrijkste bouwstenen van het ecosysteem vormen. Het uitzicht is fantastisch. Rechts de grote open rivierbedding, waar het meeste wild rondloopt, links de rode zandduinen. Het valt me trouwens op dat de kleur van de duinen nooit hetzelfde is. In het vroege ochtendlicht is het zalmkleurig. Naarmate de dag vordert, verandert de kleur van oranje tot baksteenrood als de zon het hoogst staat.

En zo verloopt de rest van de rit deze morgen. Rond het middaguur besluit ik linksaf de duinen in te rijden, alwaar het landschap opnieuw verandert. Het is nu alleen nog maar rood en groen, terwijl de weg speels over de pieken en dalen hobbelt. Op zich een avontuurlijke route, maar het vergt wel de nodige aandacht. Het is makkelijk om uit de bocht te vliegen, omdat je niet over de toppen heen kunt kijken en daarom scherpe bochten en eventuele tegenliggers niet ziet aankomen. De duinen vervelen geen minuut, maar het aantal dieren is opvallend minder. Wel zie ik een aantal jakhalzen lopen. Tot nu toe nog geen spoor van de grote roofkatten waar ik over heb gelezen.

Om drie uur ben ik weer terug in het kamp, waar ik Cassie en Noel opzoek. Ze zijn beiden nogal druk met allerlei projecten, dus val ik ze niet te lang lastig. Maar ze zijn het er beiden over eens dat dit een veel betere plek is om te zitten dan Kruger National Park. Het is lang niet zo massaal, het management is in feite een kleine hechte club, veel persoonlijker. En er zitten meer vrijwilligers, zodat, ondanks de afgelegen locatie, van eenzaamheid geen sprake is. Social Ecology in dit park is ook niet zo omstreden. Het gebied is erg dun bevolkt. De =Khomani San en Mier gemeenschappen hebben echter wel een langlopende relatie met het gebied en ook hier is het onderwerp landclaims erg actueel. De =Khomani San en Mier hebben inmiddels hun oorpronkelijke grond in symbolische zin teruggekregen. Maar een andere bestemming dan natuurbehoud is nauwelijks mogelijk, aangezien de grond nergens anders geschikt voor is.

De avond begint en na een snelle maaltijd begint de nightdrive waar ik me voor in had geschreven. Dat is een teleurstelling. In het Krugerpark zijn deze drives redelijk spectaculair, omdat de trucks de paden oprijden waar toeristen met hun eigen auto niet mogen komen. Deze truck rijdt alleen een stuk heen en terug over de Nossob Road, waar ik vanmorgen al ben geweest. En veel wild zien we ook niet. Maar het is wel bijzonder om in het donker te rijden. De maan is nog niet op en de hemel is met sterren bezaaid. En het is koud, erg koud. Een mooie afsluiting van de eerste dag in Kgalagadi Transfrontier Park.

 

9/5 kgalagadi: de auob trail

Vandaag is de andere route door het park aan de beurt, de weg door de Auob rivierbedding. Eigenlijk had ik de tweede nacht in Nossob kamp moeten boeken, zodat ik vandaag het drielandenpunt en de verste uithoek van Zuid Afrika had kunnen bereiken. Vanaf Twee Rivieren is dat te ver weg om nog dezelfde dag weer terug te komen en morgen wil ik naar Botswana vertrekken. De Auob route is een goed alternatief. Het eindpunt, Mata Mata kamp ligt op de grens met Namibie. De weg ernaar toe is toch anders dan de Nossob route. Het lijkt meer op een echte woestijn, meer zand. En het is behoorlijk heet en stoffig vandaag. Het Mata Mata kamp zelf is klein. Ik eet er even wat en rijd weer terug over dezelfde weg. In de duinen vallen me de gigantische nesten in de bomen op die de “sociable weavers” bouwen. Er zitten vaak honderd of meer van deze vogels in zo’n nest dat soms een meter in doorsnee is. Al met al is de rit vergelijkbaar met die van gisteren. Eenmaal terug in Twee Rivieren hang ik wat rond in de kampwinkel en besluit vanavond maar eens uitgebreid te braaien. En het is een zooitje in de auto. Wat opruimwerk kan geen kwaad. Na twee dagen Kgalagadi en Kruger als vergelijkingsmateriaal, kan ik zeggen dat ik dit park toch wel een stuk aantrekkelijker vind. De contrasten, zowel in kleur als temperatuur zijn er veel groter en de omgeving voelt veel desolater, wilder en echter aan. Het wild is misschien niet zo spectaculair als in het Kruger Park, maar in het algemeen vind ik het landschap in een nationaal park interessanter als de dieren die erin rondlopen. Iets wat ik ook voor mezelf besloten heb is dat ik een volgende keer, ondanks dat het redelijk te doen is met een stadsauto, een 4x4 wil hebben om in Afrika rond te rijden. En dan heb ik alleen nog maar ervaring met Zuid Afrika met zijn ontwikkelde wegennet. In landen als Mozambique en Zambia is het waarschijnlijk noodzakelijk om een voor zand en modder geschikt vervoersmiddel te hebben.

 

10/5 kgalagadi – tsabong: kennismaking met botswana

Tijd om Kgalagadi te verlaten en een blik over de grens te werpen. Vanavond wil ik mijn eerste nacht in Botswana doorbrengen, een land dat me altijd heeft geintrigeerd, juist omdat ik er niet zoveel over weet en dat wat ik weet, te mooi klinkt om waar te zijn. Als ik de verhalen moet geloven is het zo’n beetje het Zwitserland van Afrika; stabiel, democratisch en zonder een recent oorlogsverleden, zoals alle landen in deze regio, inclusief Zuid Afrika.

Er moet weer een fikse afstand gereden worden. Met een 4x4 was het mogelijk geweest om vanuit Kalahari Gemsbok Park Botswana binnen te rijden, door het Gemsbok-deel van het park. Het is tenslotte een Transfrontier Park. Met mijn auto zou ik tijdens de eerste 10 meter waarschijnlijk al vast komen te zitten. Het is trouwens alleen voor 4x4’s toegestaan om die route te rijden. En dan alleen in een konvooi van minstens twee auto’s. Het enige alternatief is om weer terug te rijden naar Kuruman en dan 200 kilometer naar het Noorden te rijden. De kaart geeft aan dat de laatste 150 kilometer tot aan de grens weer een gravelweg is. Als die in net zo’n slechte conditie is als de weg die ik woensdag reed, kan ik het wel vergeten om voor zes uur de grens over te rijden.

Eerst is er nog een andere uitdaging. Ik heb nog geen Pula’s, de nationale munteenheid van Botswana. Ik had me niet gerealiseerd dat het zaterdag is en de banken om 11.00 sluiten. Na enig haastwerk lukt het me om om 10.50 de Standard Bank binnen te lopen. Pula’s hebben ze echter niet in voorraad. First National Bank waarschijnlijk wel, maar dat red ik niet meer voor 11.00. Dan maar hopen dat ze Randen accepteren over de grens. Ik verwacht niet dat ik meteen een grenswisselkantoor zal tegenkomen. We zijn tenslotte in Afrika. In Kuruman maak ik een tankstop en informeer naar de toestand van de grensweg. De tankbediende vertelt me dat het een goed begaanbare weg is, omdat die niet zoveel wordt gebruikt. Ik kan het wel redden voor zes uur. Even later ben ik op weg naar McCarthy’s Rest, de grensovergang. Na het dorpje Hotazel (Hot as Hell), gaat het asfalt over in gravel en inderdaad, de weg is in een perfecte toestand. Het lukt me om gemiddeld 90 kilometer per uur te rijden, dus ik haal het makkelijk. Maar behalve ikzelf, rijdt er niemand. Ik kom tijdens de rit van 150 kilometer slechts twee ezelkarretjes tegen.

Na de nodige formaliteiten bij de grens rijd ik net voor vier uur Botswana binnen. Het landschap is meteen anders en wat me ook opvalt is het aantal koeien dat op de weg loopt. De aarde is roodgekleurd en er staan veel acaciabomen. Nog steeds in Afrika! Ik heb nog geen plan voor de overnachting, maar in het grenskantoor hing een folder van Berrybush Camp, net buiten de eerste stad langs de route: Tsabong. Dat moet ik dus voor het donker zien te vinden.

Tsabong mag zichzelf eigenlijk geen stad noemen. Nederzetting is een betere omschrijving. Eigenlijk lijkt het op een grote RDP-locatie zoals je die in Zuid Afrika vindt. Alleen deze nederzetting is een stuk netter, geordender en beter ontwikkeld. Maar het ontbreekt aan karakter. De gebouwen zijn allemaal hetzelfde. Na wat minuten doelloos rondrijden, zonder idee welke richting ik nu eigenlijk op moet, kom ik stomtoevallig een bord met “Berrybush Camp, 7km” tegen. Ik volg de pijl en rijd de weg in oostelijke richting op, de stad uit. Op mijn teller houd ik het aantal kilometers in de gaten en inderdaad, na 7 kilometer staat er opnieuw een bord langs de verlaten weg. Ik neem de afslag en rijd een kilometer of twee over een wel erg zanderig pad en hoop dat ik niet vast kom te zitten. De weg eindigt bij een gesloten hek. Er hangt opnieuw een bord: “Berrybush Camp – Don’t feed the Bears; Fishing prohibited”. Duidelijk iemand met humor; alsof hier beren en vissen te vinden zijn. Maar ik vraag me ook ernstig af of er wel iemand is. Ik besluit te voet verder te gaan. Het hek zit gelukkig niet op slot. Na een paar honderd meter kom ik bij een kleine nederzetting, bestaande uit een paar eenvoudige stenen gebouwen met golfplaten daken. Op het terrein verder geen tent of 4x4 te bekennen. Misschien ben ik wel de enige bezoeker. Een man is buiten aan het werk en ik vraag hem wie de plaats runt. Hij verstaat blijkbaar geen Engels maar wijst naar een van de gebouwen. Ik loop er naar toe en van dichtbij ziet het er eigenlijk best aantrekkelijk uit. Ik klop op het raam van de geopende terrasdeur en loop de donkere kamer binnen. Daar zit een man met een enorme baard op de bank. Hij staat op en stelt zichzelf voor als Keith. “En degene daar in de keuken is Jill”, mompelt hij. Ik loop naar binnen en een vrouw van achter in de vijftig stelt zich voor. Er hangt een onbeschrijflijke sfeer in de lucht en ik vraag me af waar ik beland ben. Jill lijkt degene die de zaak runt en loopt met me mee over het terrein. Op het eerste oog zijn het hartelijke vriendelijke mensen, maar zeker niet doorsnee. Dat maakt het wel interessant. Op het terrein zijn verschillende boma’s met kleine eenpersoons tenten. “Je moet zelf maar weten waar je voor kiest schatje”, zegt ze. “Als je zo’n tent neemt, hoef je je eigen niet op te zetten. En het is een stuk goedkoper dan een van de kamers. Enne, ik weet niet of je zelf wilt koken, maar als je wilt kun je vanavond mee-eten. Het is wel vegetarisch, ik hoop dat je daar van houdt”.
“Prima”, antwoord ik. Ik heb het gevoel dat het wel klikt. “Misschien kunnen jullie me dan wat meer over Botswana vertellen”.
“Geen probleem, we vertellen je alles wat je maar wilt weten. In dit gebouw zijn douches. Keith heeft net het vuur aangemaakt, dus het water zal nog wel niet zo heel erg warm zijn. En let maar niet op de dames/heren bordjes. We maken hier geen verschil. Das puur voor de gezondheidsinspectie. Maar misschien wil je wel eerst koffie of thee, schatje”
Daar heb ik inderdaad wel zin in en ik volg haar naar binnen. Ze stelt me voor aan Dave, Keith’s broer die stil in de hoek van de bank zit te roken. Ook twee katten en een enorme hond, Luna, maken deel uit van de “Berrybush-family”. Ik vertel hun kort over mijn reisplan en ze zijn redelijk verbaasd dat ik dat met mijn Golfje ga doen. Een minuut later komen er twee andere gasten binnen, die blijkbaar al een tijdje in Berrybush zitten. Gerald en Martin. Net als Keith zijn het nogal imponerende figuren qua omvang met karakteristieke door het leven getekende gezichten. En ze zitten onder het vet. Het blijken twee techneuten te zijn die reparaties aan de waterpompen verrichten. Het is een en al techtalk in de kamer die inmiddels blauw van de rook staat. Ik vraag me af waar de enorme herrie op het dak vandaan komt. Dat blijken de pauwen te zijn die op het terrein rondlopen en af en toe op het dak. Het gevoel dat hier een speciale sfeer hangt, dat het bijzondere mensen zijn, wordt sterker. Ik observeer de aanwezigen terwijl ik m’n koffie drink en probeer ze in een categorie te plaatsen. Overjarige hippies? Hell’s angels? Of misschien het type mensen dat compleet vergroeid is met dit afgelegen gebied, gevormd door het grillige Kalahari-klimaat. Ze zijn in ieder geval van het ruwe-bolster-blanke-pit type.

Buiten begint een stevige koude wind te waaien en er vallen dikke druppels naar beneden. “Het Kalahari excuus voor regen”, lacht Keith. Jill is echter wat bezorgder en verkondigt me dat ze erop staat dat ik in een van de kamers slaap vannacht. “Ik zal je de kampeerprijs in rekening brengen. Het is veel te koud om in een tent te slapen. En geen gemaar, ik ben de baas”. Dat is bijzonder aardig van haar. Ik heb ondertussen niet meer het gevoel dat ik in een motel of iets soortgelijks ben. Het voelt alsof ik langzaam deel van een familie ben geworden. Even later, na een warme douche, lig ik op bed wat te rusten, enigszins emotioneel door deze plotselinge golf van menselijke warmte. Wat een geweldige mensen; paradijsvogels! Ik besluit dat ik hier nog een nacht langer blijf. Morgenvroeg meteen weer vertrekken zou zonde zijn. Daar zijn deze mensen te bijzonder, te interessant voor. Bovendien zit ik een beetje vast in Botswana. Morgen is het zondag en zijn de banken gesloten. Ik heb nog steeds geen Pula’s.

Om half acht loop ik de woonkamer weer binnen. Het eten is bijna klaar. Gerald en Martin hebben zich inmiddels ook van het vet ontdaan. Gerald komt uit Botswana en gebruikt een vliegtuig als vervoermiddel. Martin is een Australier die met een Botswana-vrouw is getrouwd. Hij assisteert Gerald tijdelijk, in afwachting van een vergunning om een struisvogelfarm te beginnen. Gerald is niet alleen een goede technicus, hij bespeelt ook de doedelzak, alsof hij een echte Schot is. En zo sta ik even later midden in de donkere Kalahari, in een kleine nederzetting met fantastische mensen, terwijl doordringende doedelzakmuziek kilometersver door de lucht schalt. Ik kan nog steeds niet geloven waar ik terecht ben gekomen.

Vanwege het commentaar van Keith is er toch wat vlees in het diner terecht gekomen. Tijdens haar hippie-tijd is Jill overtuigd vegetarier geworden, nadat ze betrokken raakte bij Oosterse religies. Sindsdien is ze niet meer gewend om vlees te eten. Maar de achterliggende pricipes heeft ze inmiddels overboord gegooid. Het is erg gezellig, met name na het eten, wanneer iedereen zich om de pooltafel verzameld, onder het genot van blikjes St. Louis, het enige echte biermerk van Botswana. Ik speel samen met Keith, die observeert hoe ik de keu tegen de bal stoot. “You got fingers like fuckin’ arms”, lacht hij. Het valt me inmiddels op dat blanke Batswana een bepaald ruig taalgebruik hebben, wat ze onderscheidt van bijvoorbeeld Afrikaners. En op de een of andere manier zijn ze veel authentieker, minder Europees. Volgens Jill zijn de blanken in Botswana een nogal cosmopolitisch bij elkaar geraapt zooitje. “We komen echt overal vandaan, maar in eerste instantie zijn we allemaal Batswana”. Na een aantal poolsessies en na nog wat optredens van Gerald met zijn doedelzak, begint iedereen toch wat moe te worden en besluiten we naar bed te gaan. Ik val vrijwel meteen in slaap. Van regen is al geen sprake meer. Het waait nog steeds.

Naar "Kalahari" deel 3

 

 

     

 

 

 

 

 

 

Google