Cuba,
informatie over reizen en vakantie, reisverhaal, reisverslag,
info, foto's
Zon en son op Cuba
(tekst en foto's: Rik van Boeckel)
deel 2/3
Nieuwe Cubaanse muziek
's Avonds ga ik met Ariel en zijn vriendin naar de discotheek
Primavera in het centrum van Santa Clara. Ik verwacht er op
salsa te kunnen dansen maar de jeugd van Cuba danst net zo
lief op moderne disco, housebeats of hiphop. Cubaanse hiphop
uit Parijs of uit Havana. Maar als er salsa wordt gedraaid,
zie ik alle bewegingen die ik zelf ooit tijdens een salsacursus
heb geleerd, perfect uitgevoerd terug.
Even hoor ik Chan Chan van de Buena Vista
Social Club. Maar het is een sample, gebruikt door de
in Parijs wonende Cubaanse hiphopgroep Orishas. Hun
CD "A lo Cubano"is niet te krijgen op Cuba
maar toch hoor je ze overal. En ook op Orishas kun je
salsa dansen, zo laten de Cubaanse jongeren zien. Ze
vermengen hiphop gewoon met salsa. Na het dansen lopen
we terug naar Parque Vidal.Ik zie veel flanerende jongeren.
Het zou Zuid-Europa kunnen zijn. Ik neem afscheid van
Ariel en zijn vriendin en ga op zoek naar een bicitaxi
in een van de zijstraten. Die brengt me voor één
dollar naar Calle Padre Chao. Door mijn hoofd dreunt
een nummer van een nieuwe Cubaanse salsasensatie: Carlos
Manuel y Su Clan. Salsa, rap, reggae, hiphop, het wordt
moeiteloos door elkaar gemixt in een pittige ritmische
cocktail. Muziek gemaakt door swingende twintigers uit
Havana.
|
|
Door het succes van de oude mannen van de Buena Vista Social
Club heeft Cubaanse muziek in Europa en Amerika aan populariteit
gewonnen. "Voor de Cubaanse jeugd is dat echte oude mannenmuziek"
weet Ariel me te vertellen. "Voor jullie in Europa is
die muziek wellicht de mooiste muziek ter wereld, voor ons
ligt dat anders. Wij luisteren daar niet naar". Als ik
aankom in de Calle Padre Chao en het licht rond Che Guevara's
hoofd in de verte zie, starend naar de sterrenhemel boven
Santa Clara, hoor ik het klotsen van de paardenhoeven op het
asfalt. Via een ijzeren wenteltrap ga ik naar boven. Ik zie
nog net hoe de paardenkoets de hoek omgaat onder het blinkend
witte licht van de oude straatlantaarn.
Herinnering aan Che
De volgende morgen bezoek ik het monument voor Che Guevara
en het daaronder gelegen museum en mausoleum. In het museum
zijn veel foto's te zien van Che. Als kind in Argentinië,als
piloot (nog zonder sik), rugby spelend, gedurende de revolutie
en later in de Congo en in Bolivia. Muziekinstrumenten van
zijn medestrijders en zelf het mes waarmee hij zijn brood
sneed liggen in de vitrines. In het mausoleum wandel ik langs
de ingegraveerde beeltenissen van alle in Bolivia omgekomen
medestrijders van Che en van hemzelf, vlakbij de door Fidel
Castro aangestoken eeuwige vlam. Later op de dag bezoek ik
het Monument van de Geblindeerde Trein. deze plek overvielen
Che Guevara en zijn troepen december 1958 een trein vol wapens,
bewaakt door Batista's troepen. De strijd du anderhalf uur
en werd beslecht door een molotov cocktail, vers in een flesje
Canada Dry. Het flesje is terug te vinden in kleine museum
dat is ingericht in drie treinwagons die niet vern zijn in
de strijd. Ik zie weer veel foto's van de gevechten attributen,
waaronder een sigarendoos en een mitrailleur veroverd werden
op de troepen van Batista .
Cienfuegos
| De dag na het carnaval zoeken Ariel
en ik een casa particular in Cienfuegos, 70 kilometer
ten zuiden van Santa Clara. We vinden er een in de Casa
de Hospedaje van Daniel in Cienfuegos, een stad in het
midzuiden van Cuba, gelegen aan de kust en ooit in de
19e eeuw gesticht door Fransen die het Amerikaanse zuiden
van Louisiana waren ontvlucht na de oorlog met de Engelsen.
Ik dwaal 's ochtends met Ariel door het Franse verleden
van de stad langs historische neoklassieke gebouwen
uit de 19e eeuw. In tegenstelling tot het drukke Havana
is Cienfuegos een rustige stad. Je struikelt er niet
over Cubanen of toeristen in het wonderlijk mooie poëtische
centrum van de stad. Er zijn juweeltjes van architectuur
te vinden zoals de Catedral de la Purisima Concepcion.
De naam alleen al doet je watertanden. Een schilder
is bezig een historisch gebouw op te kanppen.
|
|
Aan Parque José Marti, het centrale plein, liggen
de meeste fraaie gebouwen zoals het door een rijke inwoner
van de stad gebouwde Teatro Tomas Terry. Daar traden ooit
beroemde artiesten als Sarah Bernhardt op. Als Havana de opknapbeurt
zou krijgen die Cienfuegos zich heeft mogen laten welgevallen,
dan zou het de mooiste stad van de wereld kunnen zijn. Als
Parijs of Rome. Cienfuegos is meer Bordeaux, Venetië.
Omdat het kleiner is en maar 100.000 inwoners telt. En omdat
je er nauwelijks Spaanse kerken of paleizen ziet zoals in
andere Cubaanse steden. Behalve dan het Moorse paleis aan
de Jagua baai.
Historisch
| Voor Cubanen is het nog steeds een riskante
zaak met een toerist gezien te worden. Ariel loopt dan
ook voor me uit. In elke belangrijke straat lopen wel
politie-agenten rond. Uit de Casa de la Cultura Benjamin
Duarte klinkt pianomuziek. Voor een dollar mag ik naar
binnen. Ariel blijft zittend onder een groene boog van
palmbomen op me wachten. Terwijl ik de trap opklim naar
de Mirador, de ronde koepelachtig toren, worden de pianoklanken
overstemd door salsa klanken. De pianomuziek blijkt echt,
de salsa ritmes komen uit een luidspreker. |
|
In een klein zaaltje krijgen twee buitenlanders les in salsadansen
begeleid door twee donkere Cubaanse vrouwen. Vanaf de toren
heb ik een prachtig uitzicht op het plein en de rest van de
stad. Rechts voor me zie ik de Prado liggen, de Champs Elysees
van Cienfuegos. Van daaruit kun je 's avonds langs de Jagua
baai wandelen op weg naar een van de openluchtdiscotheken
aan de rand van de stad. Vanaf de Mirador kan ik goed zien
hoe de schoonheid van het centrum plotseling overgaat in een
sfeer van afbrokkelende 'grandeur'. Slechts het centrum is
gerenoveerd. Een sfeer die voor veel steden op Cuba opgaat
en zeker voor Havana. Aan de andere kant ligt de Jagua baai
, ooit ontdekt door Columbus. Volgens de eerste zeelieden
die de baai binnenvoeren, was dit een van Amerika's mooiste
zeehavens.
Piratenfort
De volgende morgen varen we met de Constructadora, een primitieve
veerboot, de baai op. Na 'n uur varen wijst Ariel me op het
17e eeuwse fort dat gezien vanaf de boot verscholen ligt tussen
het struikgewas. Ik heb meer oog voor het pittoreske vissersdorpje
daaronder. De houten huizen zijn op palen in het water gebouwd.
Kinderen spelen met een knuppel en een tennisbal 'beisbol'
(honkbal), de nationale sport van Cuba. Een vissersboot brengt
vers gevangen vis aan wal. De boot zigzagt heen en weer tussen
de verschillende aanlegsteigers op het vasteland en de lage
groene eilandjes langs de kust.
Later vanaf Castillo de Nuestra Señora de los Angeles
de Jagua heb ik een prachtig uitzicht op de baai en op het
tegenover gelegen Hotel Jagua, het belangrijkste toeristenhotel
van Cienfuegos. Het fort werd gebouwd tussen 1738 en 1745,
lang voor de stichting van Cienfuegos in 1819. In die tijd
was het een van de belangrijkste forten op Cuba, gebouwd om
de talloze piraten weg te houden van de kust. Het restaurant
in het fort blijkt gesloten. In het vissersdorpje koop ik
even later een vers gevangen zalm voor 2 en halve dollar.
Tijdens het wachten op de boot terug vertelt Ariel me dat
hij een klein restaurant wil beginnen in zijn huis.
's Avonds brengt hij me naar een huis vlak bij de Prado.
De bewoner heeft in een van de kamer een paar tafels neergezet.
Hij serveert er maaltijden voor toeristen en Cubanen. De toeristen
betalen in dollars, de Cubanen in pesos, de Cubaanse munt.
Rijst, biefstuk, gebakken banaan, schijfjes tomaat en veel
avocado. Als toetje krijgen we geschilde sinasappels en guayaba,
een Cubaanse vrucht. Als we willen maakt de kok ook nog een
mojitos voor ons, een Cubaanse cocktail van rum, mint, soda,
suiker, citroensap en ijs.
Vervoersbeeld
Ten noorden van Cienfuegos liggen de groene bergen van de
Sierra de Escambray. Ten tijde van de Cubaanse revolutie was
dit een uitvalsbasis voor de revolutionairen onder leiding
van Che Guevara en Camillo Cienfuegos . De laatste veroverde
van hier uit Cienfuegos en dankt zijn naam aan de stad. Che
Guevara veroverde het 70 kilometer ten noorden van Cienfuegos
gelegen Santa Clara, de laatste grote stad voor het 250 kilometer
verder gelegen Havana. Het bleek de beslissende slag. Een
aantal dagen later trokken de Cubaanse revolutionairen Havana
binnen.
Om naar de Sierra de Escambray te gaan heb ik een auto met
chauffeur gehuurd. Via Ariel uiteraard. Het kost me 40 dollar.
We vertrekken 's ochtends vroeg. Het wemelt van de paardenkoetsen
op straat, een vorm van openbaar vervoer die stamt uit vorige
eeuwen, en van de bicitaxi's, fietstaxi's die de Cubanen uit
China hebben geimporteerd. De oude Amerikaanse sleeën
(soms geheel nieuw opgespoten) , Tsjechische Lada's en motoren
met zijspan completeren het Cubaanse vervoersbeeld. In Havana
kun je er nog de kamelenbussen, de Midden-Amerikaanse bussen
en niet te vergeten afgedankte Nederlandse NZH-bussen bij
optellen ( de namen van de bestemmingen zijn niet eens weggehaald,
zo zag ik Holswerd en Barendrecht voorbij komen).
El Nicho
| Eenmaal voorbij de stille grandeur van het Franse verleden,
rijden we een barrio (wijk) in verval binnen. Tuinen met
kapotte hekken, pilaren met blauwe verf van honderd jaar
terug, verrotte raamkozijnen. Achter een scheef tuinhek
staat een oude zwarte vrouw met een enorme sigaar in haar
mond. Haar huid is even gerimpeld als de verf van 't huis.
Het dak lijkt vergeten door de jaren. Vanachter 't raam
van een ander huis klinkt een rap in het Spaans. |
 |
Een teken dat Cuba op een andere manier weer met de tijd
meegaat. De ramen van de auto zitten vol barsten. Door de
bochtige weg lijkt het wel alsof het er steeds meer worden.
Maar wellicht is dat gezichtsbedrog. In en rond Cienfuegos
vermengen blauwe en groene kleuren zich in talrijke ongelooflijke
beelden. In Cienfuegos overheerst het blauw de gevels van
de huizen. Alsof de Fransen het blauw van zee, lucht en Franse
vlag in het stadsbeeld hebben proberen te verankeren.
Buiten Cienfuegos doemen de contouren van de Sierra de Escambray
op. Het landschap is nog vlak en gevangen in het blinkende
groene licht van de gewassen. Het lichte groen van de bananenbomen,
het donkere groen van de palmen, het hooguitgestoken groen
van het suikerriet. En het donkergroen van de bergen in de
verte. Een schilder zou hier goed kunnen oefenen op die grote
verscheidenheid aan groene tinten. Een in onbruik geraakte
bushalte misstaat enigszins. Verderop blijken er toch mensen
op de bus te wachten. Alleen zie ik geen duidelijke halte.
We rijden het dorpje Cumanayagua binnen. Een wit kerkje in
Spaanse stijl glinstert in de zon. Hier heeft de tijd stil
gestaan. We wisselen van auto. Een blauwe jeep, geschikt voor
bergachtig terrein, wordt ons nieuwe vervoersmiddel. Het zitten
wordt echter minder comfortabel, zeker als het landschap heuvelachtiger
wordt.
Voorbij Cumanayagua begint het bergachtige terrein. Grote
rozenstruiken doorbreken de groene monotonie. Eerst rijden
we nog over gewoon asfalt. Maar naarmate de weg bochtiger
wordt, wordt de kwaliteit van het asfalt slechter om uiteindelijk
over te gaan in een breed pad van grint en opgedroogde modder.
We gaan steeds verder omhoog. Een truck volgeladen met toeristen
komt ons tegemoet. Maar zij gaan omlaag, wij nog niet. Als
dat eenmaal onvermijdelijk gebeurt, hou ik mijn hart vast.
Ik moet er niet aan denken wat er gebeurt als de piepende
remmen het begeven. De chauffeur glimlacht. Hij kijkt soms
om met een blik van: rustig maar, ik heb dit appeltje vaker
gewassen. "Kijk omhoog, dat is minder eng" zegt
Ariel, voor wie dit eveneens onbekend terrein is. Via een
slagboom rijden we Parque Natural Topes de Collantes binnen.
Op een vlak stuk laat ik de jeep soms stoppen om een foto
te nemen van een adembenemend uitzicht. Cienfuegos is niet
meer te zien. Wel het vlakke land eromheen, de zee en een
enkele rokende schoorsteen van een suikerverwerkingsfabriek.
We stoppen in El Crucerito, een bergdorpje. Kinderen in schooluniform
wandelen ons vrolijk lachend voorbij. Voorbij het dorp gaat
de weg verder omhoog. En dan weer omlaag. Er lijkt geen eind
aan te komen. Op de hoogste top staan een paar houten huizen.
We zijn in El Nicho (de Nis), een park met watervallen dat
beheerd wordt door de Coöperativo Che y Camillo. Ook
al vergeet je dat bijna in dit prachtige natuurgebied, we
zijn nog steeds op het socialistische Cuba. Ik loop samen
met Ariel over een houten bruggetje naar de waterval. Ariel
trekt een anijsblad uit een boom en houdt dat onder mijn neus.
Ik neem een duik in het meertje bij de waterval. Ik ben er
snel weer uit. Het water is veel te koud. De slechte weg naar
El Nicho ben ik echter al weer vergeten.
verder
naar "Zon en son op Cuba" deel 3
|